donderdag 19 december 2013

Een economische unie als verzekering II: migratie maakt welvaartsstaat overbodig

We zeiden eerder dat allerhande regelingen in de EU, zoals de schuldenunie en de bankenunie, voor de lidstaten als een verzekering werkt. Je hoeft de EU echter niet zo sterk op te tuigen om toch een verzekering dankzij de economische integratie te krijgen. Als je bijvoorbeeld alleen maar vrij verkeer van werknemers hebt en verder niets dan heb je ook al een vorm van verzekering. Vrij verkeer van werknemers is altijd een van de grondgedachten van de EU geweest en als dat goed zou werken, dan leidt dat dus tot winst door het wegnemen van economische onzekerheid. Stel bijvoorbeeld dat een land dat lid is van de EU getroffen wordt door economische tegenslag, zeg dat onverwacht de huizenmarkt instort. De economie van het ‘pechland’ zakt dan ook in elkaar met dalende inkomens en oplopende werkloosheid als gevolg. Maar onder de aanname dat in andere landen de huizenmarkt niet is ingestort, is er nog genoeg werk te vinden in die andere landen. Dus de werkenden van het getroffen land migreren naar een van de andere lidstaten waar ze makkelijk werk kunnen vinden. De overheid van het getroffen land bespaart daarmee de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en het land kan zich weer herstellen door de lagere druk op de arbeidsmarkt en doordat de belastingen niet verhoogd hoeven te worden om de werkloosheidsuitkeringen te financieren. Door lid te zijn van een economische unie met vrij verkeer van werknemers is een land dus op twee manieren verzekerd tegen economische schokken, namelijk doordat de werkenden al dan niet via migratie altijd verzekerd zijn van een gegarandeerd arbeidsinkomen, waardoor, ten tweede, de overheid geen dure welvaartsstaat in de lucht hoeft te houden. Heaven on earth! Helaas te mooi om waar  te zijn zoals we nog zullen zien. 

woensdag 18 december 2013

Een economische unie als verzekering I

In feite werkt een unie, zoals de bankenunie in de EU of meer algemeen de EU zelf, als een soort verzekering tegen domme pech. Je sluit een verzekering af als je wilt uitsluiten dat pech je ruïneert zonder dat je er wat aan kunt doen. Daarom hebben mensen een ziektekostenverzekering: omdat een ziekte je met torenhoge schulden zou kunnen opzadelen. Bij een verzekering maakt de verzekeringsmaatschappij gebruik van de wet van de grote getallen. Als er genoeg mensen zijn die zich verzekerd hebben en als iedereen een niet al te grote kans heeft overvallen te worden door pech (bijvoorbeeld ziekte), dan kan de pech van de enkeling financieel gedekt worden door de velen die de pech niet hebben. Vaak werkt dat goed (maar soms niet, waarover later meer) en we weten al heel lang hoe zegenrijk verzekeringen zijn. Minstens 3000 jaar al bestaan er verzekeringen. Een economische unie heeft veel weg van een verzekering. Bij een schuldenunie is dat het meest duidelijk. Als een overheid in zo’n unie last heeft van een onbeheersbare schuld (buiten haar schuld), dan kan een deel van de schuld overgenomen worden door de overheden van andere deelnemers aan de schuldenunie. Die doen dat omdat ze zelf ook geholpen zullen worden als ze in de problemen komen. Bij een bankenunie, idem dito. Als een bank van lidstaat X in de problemen komt, kan die bank in leven worden gehouden door de bankenunie. Alle lidstaten werken daar aan mee, want morgen kan er een probleem zijn van een bank in lidstaat Y. Kortom, alle lidstaten werken vrijwillig mee aan de bankenunie. Is het eigenlijk niet dom dat de EU niet eerder aan de oprichting van een bankenunie heeft gedacht? Een echte verzekering, laten we zeggen een brandverzekering, zou in ieder geval niet gestart zijn nadat de pech al was opgetreden: brandende huizen kun je niet verzekeren. In de EU kan dat kennelijk wel.

zondag 15 december 2013

Waarom de bankenunie goed voor ons is

Een nieuw verschijnsel in de Europese instituties is de bankenunie, die als belangrijke (maar niet als enige) taak heeft toezicht te houden op de bankensector in de EU. Momenteel houden nationale overheden en centrale banken hun eigen banken in de gaten en er zijn nationale garantieregels voor de (kleine) spaarders voor het geval het fout mocht gaan bij een bank. Dat lijkt volkomen uit de tijd, gegeven het Europees wijd opereren van grote banken. In Nederland zijn vestigingen van buitenlandse banken die hun gang gaan zonder dat de Nederlandse overheid daar veel invloed op heeft en omgekeerd voor vestigingen van Nederlandse banken in het buitenland. Om deze lacune te dichten ligt het voor de hand het toezicht op banken naar centraal Europees niveau te verplaatsen. Dat heeft ook als voordeel dat banken eerder tot de orde geroepen worden dan onder de huidige situatie. Momenteel houden nationale banken en overheden elkaar nogal eens in een houdgreep. Dat komt omdat in landen als Spanje en Italië banken grote aandelen hebben genomen in de schuld van hun overheid, met als gevolg dat het omvallen van de een ook het omvallen van de ander impliceert. Met andere woorden, de overheid in deze landen heeft er geen belang bij om hun banken tot de orde te roepen. Bij Europees toezicht wordt dat doorbroken. Het Nederlandse kabinet ziet zo’n bankenunie als het beste middel om riskant gedrag van banken in Europa te voorkomen. Maar, geeft de regering ruiterlijk toe, er zijn ook risico’s. Wij citeren onze eigen regering: “Deze [risico’s] zijn in het bijzonder gelegen in de prikkels voor zowel banken als nationale overheden voor risicovol en onwenselijk gedrag aangezien (…) sprake is van (toenemende) risicodeling.” Kan dat: beter toezicht en toch meer risico dat het mis gaat? Zeker, wij geven de regering volkomen gelijk.  

vrijdag 13 december 2013

De bankenunie: een trein die niet meer te stoppen is

Sinds de krediet- en bankencrisis (2008) en de daarop volgende schulden- en eurocrisis (2010) gaat het debat tussen economen meer en meer over de EU. Voor die tijd was de houding tegenover de EU van neutraal tot positief. Er was bijvoorbeeld vrijwel geen Nederlandse econoom die zich negatief over de Europese grondwet uitliet. De econoom die dat wel deed (Arjo Klamer, bijvoorbeeld en, in alle bescheidenheid, ondergetekende) werd als een soort querulant beschouwd. Slechts weinigen dachten dat er iets fout kon gaan in de EU. Toen kwamen de genoemde crises en de economen die tot dan toe stil waren geweest over Europa vielen over elkaar heen in het aantonen van hun gelijk over wat ze altijd al gezegd hadden. Namelijk dat Europa goed voor ons is, maar dat de organisatie helemaal fout was. Opeens kwamen er allerlei voorzieningen die niemand ooit daarvoor had voorgesteld, maar die nu opeens goed voor de Europese burger bleken te zijn. De laatste loot aan die stam van gloednieuwe Europese voorzieningen is de bankenunie. Die bankenunie is politiek helemaal niet meer te stoppen. Het gaat zoals het met de Eerste Wereldoorlog (WO I) is gegaan. De historica Barbara Tuchman beschreef beeldend dat WO I vanaf een zeker moment niet meer te stoppen was. De kanonnen waren al op de treinen gezet, de treinen waren gaan rijden, het kanonnenvoer was al geronseld en was al onderweg naar een vrijwel zekere dood. Ook al was er eigenlijk geen reden voor oorlog, die oorlog kwam toch. Leidt de bankenunie tot net zo’n drama als WOI? Wel, we zullen het zien. Zoals gewoonlijk bij economische verschijnselen kan men met de bankenunie meerdere kanten op redeneren. Dat zullen we zeker gaan doen.

dinsdag 19 november 2013

Hoe Marcel Canoy en Raymond Gradus redeneren over loonmatiging


Loonmatiging is opeens weer een hot issue in Nederland. Afgelopen zaterdag (16 november) stond er in De Volkskrant een opiniestuk van de economen Marcel Canoy en Raymond Gradus met als kop: lonen alleen omhoog bij hogere productiviteit. Zij beginnen met te beweren dat Alfred Kleinknecht, die ze ‘Mister loonstijging’ noemen loonstijging aanbeveelt als doel en dat, zo schrijven ze, “is onzinnig. Je gaat ook niet de economie aanwakkeren door de huizenprijzen te verhogen zonder dat daar economische logica achter schuilt.” Lonen, zo willen ze maar zeggen, zijn het resultaat van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dat kunnen we ook zien omdat “de cijfers wijzen op een hoge [loon]stijging in productieve sectoren en een lage stijging in (…) sectoren die onder druk staan.” Deze passage in hun opiniestuk heeft kennelijk ook als doel de vloer aan te vegen met Arnoud Boot die er immers voor pleitte de lonen te laten stijgen in hoog-productieve sectoren: dat gebeurt al schreeuwen ze hier in koor. Maar een weerlegging van Kleinknecht kun je hun stuk toch niet noemen, hoewel ze dat wel expliciet zeggen. Kleinknecht zal hen antwoorden dat de productiviteit laag is in sommige sectoren omdat de lonen er laag zijn. Ik zou daar aan toevoegen dat als je tegen loonmatiging bent dat nog niet wil zeggen dat je voor loonstijging bent. Door de politiek afgedwongen loonmatiging zal tot een kunstmatige lage productiviteit en een slecht werkende arbeidsmarkt leiden, maar afgedwongen loonstijging zal natuurlijk de werking van de arbeidsmarkt ook niet verbeteren. Het vreemde is dat iedereen het daar over eens zal zijn. Vechten Canoy en Gradus tegen windmolens? Misschien toch niet, want zij vinden dat eerst innovatie moet worden aangewakkerd, “zoals onlangs ook de WRR voorstelde.” Dat voorstel van de WRR was helaas zo ernstig onder de maat dat het een serieus blog over economie niet mag besmeuren.


maandag 18 november 2013

Hoe Arnoud Boot redeneert: waarom loonmatiging slecht/goed voor ons is

Loonmatiging is al zeker veertig jaar een heilige koe in de Nederlandse politiek, sinds het CPB modellen heeft waarin als de lonen stijgen ondernemers hun oudere machines eerder afschrijven en dus de werkloosheid toe- en de welvaart afneemt. Dat is juist goed voor de welvaart, betoogt Alfred Kleinknecht al jaren, want als de ondernemers eerder gaan innoveren, kunnen we hetzelfde werk met minder inspanning doen, of meer werk afleveren met dezelfde inspanning. Kijk naar de VS, aldus nog steeds Kleinknecht. Daar innoveren ze minder, werken ze harder, maar zijn de inkomens per uur lager dan in Europa. Nederland is min of meer de VS van Europa: er is hier door een jarenlange loonmatiging minder geïnnoveerd en moeten we dus harder werken dan onze buren. Ruim een week geleden sprak Arnoud Boot zich ook uit tegen loonmatiging. Boot is hoogleraar economie in Amsterdam en aanwezig in diverse prestigieuze adviesraden (WRR, DNB, SER). Dus als hij dit zegt, dan zal dat wel het einde van de loonmatigingsmythe in Nederland inluiden. Dat bleek overigens wel weer mee (of tegen) te vallen, want werkgeversorganisaties spraken zich direct uit voor een voortgaan op de weg der loonmatiging Zijn argument was overigens gebaseerd op ouderwetse Keynesiaanse mechanismen: hogere lonen leiden tot meer bestedingen en kunnen dus het einde van de crisis inluiden. Bovendien mogen de lonen alleen stijgen in sectoren met een hoge productiviteit. Sectoren met een lage productiviteit moeten lage lonen blijven betalen. Volgens Kleinknecht is dat dus het paard achter de wagen spannen. De productiviteit is immers laag in sommige sectoren omdat de lonen er laag zijn. Dus, als je daar de lonen laag houdt, doet dat de productiviteit geen goed. Als je de lonen in sectoren met hoge productiviteit verhoogt, zal de productiviteit daar nog meer toenemen. Dan krijgen we een economie met een sector voor de briljante hoog-productieve werknemers en een sector voor de kneusjes.

donderdag 14 november 2013

Hoe Alfred Kleinknecht redeneert: waarom loonmatiging slecht voor ons is

In Nederland is loonmatiging decennialang als een soort hogere deugd beschouwd, waar je de hemel op aarde voor terug krijgt. Er waren economen die dat niet geloofden. Daaronder orthodoxe, maar ook minder orthodoxe economen. Een van de meest prominente van die laatste groep is Alfred Kleinknecht die onlangs afscheid nam als hoogleraar economie in Delft. Bij nader inzien past zijn redenering toch wel redelijk in de ‘mainstream’ benadering van economen. Hij zegt namelijk precies hetzelfde als wat het CPB altijd zei, maar verbindt daar een andere conclusie aan. Als je lonen matigt, zo zegt hij, zullen ondernemers niet investeren in efficiëntere machines (zie ook CPB) en zal de werkloosheid dus minder toenemen. Toch is dat slecht nieuws, want doordat dankzij loonmatiging werkgevers weinig behoefte hebben nieuwe technieken in te voeren, blijft de productiviteitsstijging in Nederland achter bij die in landen waar de lonen niet (of minder) worden gematigd. Het buitenland wordt dan juist goedkoper ten opzichte van Nederland doordat daar wel arbeidsbesparende technieken worden ingevoerd. Maar als de Nederlandse ondernemers nu eens toch gewoon inzetten op innovatie met hun goedkope werknemers, waarom zou dat niet lukken? Hier doet Kleinknecht een beroep op een variant van de theorie van het efficiënte loon. Werkgevers die op het loon van hun werknemers beknibbelen zullen daar een gebrek aan loyaliteit van hun werknemers voor terugkrijgen. Werknemers die worden afgeknepen zullen op zoek gaan naar betere banen en een andere werkgever uitkiezen zodra een mogelijkheid zich voordoet. Dat is niet erg bevorderlijk voor innovatie. Voor innovatie heb je loyale werknemers nodig die niet bij het minste of geringste op de loop gaan en de nieuwe uitvindingen meenemen naar de concurrent. Voor werkgevers, met andere woorden, is het onder een regime van loonmatiging niet lonend om te innoveren. Kortom, loonmatiging is hoe dan ook slecht voor de productiviteit. 

woensdag 13 november 2013

Hoe economen redeneren: waarom loonmatiging slecht voor ons is, I

Ik heb loonmatiging altijd een ridicuul idee gevonden om minstens twee redenen. De eerste reden was dat loonmatiging er alleen komt als de markt er om vraagt, dat wil zeggen wanneer er weinig vraag naar arbeid en veel werkloosheid is. Begin jaren 80 was er een economische crisis waarbij de werkloosheid in een paar jaar tijd snel opliep. Vakbonden kunnen in zo’n situatie niet met looneisen komen omdat ze zwak staan. Loonmatiging komt dan dus vanzelf. Dat er in 1982 een akkoord kon worden gesloten, was dus geen overwinning van de Hollandse polder, zoals vaak wordt beweerd, maar een soort symbolische bevestiging van de crisis op de arbeidsmarkt. Een tweede reden om loonmatiging een ridicuul idee te vinden was dat het inging tegen het idee van goed werkgeverschap. Werkgevers die hun werknemers met meer belonen dan ‘de markt’ suggereert, worden op hun beurt door hun werknemers ‘beloond’: ze gaan harder werken. Dit is zowel theoretisch als empirisch bevestigd (al zegt dat niet alles, zie eerdere blogs). Deze redenering wordt ook wel de theorie van het efficiënte loon genoemd die in alle leerboeken sinds jaar en dag wordt behandeld. De twee redenen (namelijk marktconforme lonen en hogere productiviteit door een ‘efficiënt loon’) passen geheel in de ‘orthodoxe’ theorieopvatting. Dat wil zeggen, loonmatiging kun je verwerpen binnen het gangbare idee dat de economie geregeerd wordt door marktprikkels van vraag en aanbod. Er zijn ook economen die zich tegen loonmatiging keren op grond van  meer ‘heterodoxe’ overwegingen, dus redeneringen die zich minder aansluiten bij de gangbare economiebeoefening. Daarover volgende keer meer.    

dinsdag 12 november 2013

Hoe economen redeneren: waarom loonmatiging goed voor ons is


In Nederland is tot op de dag van vandaag (maar misschien moet ik zeggen: gisteren) loonmatiging als een na te streven beleidsdoel beschouwd. De reden daarvoor ligt voornamelijk in een CPB model (voor de fijnproevers: het jaargangenmodel) uit de jaren 70. In dat model zat een mechanisme waarbij als de lonen stegen de oudste machines in fabrieken werden afgestoten en vervangen werden door nieuwere en efficiëntere machines. Die nieuwe machines gebruikten minder arbeid (omdat ze efficiënter waren) en dus nam, als gevolg van de loonstijging de werkloosheid toe. Bij een gematigde loonmatiging zou dat niet gebeuren en er minder werkloosheid optreden. Bovendien, door een gematigde loonontwikkeling zouden ook nog eens de kostprijzen van producten maar beperkt stijgen, zodat de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland zou verbeteren. De export neemt daardoor toe, waardoor het nationale inkomen stijgt. Dus van loonmatiging worden we allemaal rijker. QED. Zo simpel is economie nu, dat je in nog geen 150 woorden kunt uitleggen waarom loonmatiging zo heilzaam is. Meer dan 30 jaar hebben beleidsmakers en economen dit instrument omarmd, vanaf het beroemde akkoord van Wassenaar uit 1982 tussen vakbonden, werkgevers en de regering Lubbers. Ook de politieke partijen konden niet om loonmatiging heen, al was het maar omdat hun verkiezingsprogramma’s door het CPB werden doorgerekend en, volgens het CPB-model dat daarbij gebruikt werd, was loonmatiging nu eenmaal goed voor de werkgelegenheid. Dus, als je mooie cijfers van het CPB wilde krijgen, moest je wel loonmatiging in je verkiezingsprogramma opnemen. Tot gisteren dus.

dinsdag 5 november 2013

Hoe economen redeneren: verhoog de belastingtarieven

In een wereld zonder grenzen wil iedere overheid de meest productieve mensen en bedrijven binnen zijn grenzen hebben. Laten we ons even beperken tot bedrijven: hoe krijgt een overheid die bedrijven binnen? Dat kan op vele manieren, maar een voor de hand liggende methode is door de belastingtarieven zo laag mogelijk te houden. Ierland, bijvoorbeeld, heeft al decennia lang, lage tarieven voor de vennootschapsbelasting (VpB) en heeft, inderdaad, ook heel veel buitenlandse bedrijven mogen verwelkomen. Binnen de EU hebben alle landen de afgelopen 25 jaar de VpB-tarieven flink verlaagd. Economen noemen dit belastingconcurrentie en hoewel economen concurrentie meestal verwelkomen, doemt er hier een probleem op. Als alle landen hun VpB-tarieven met ongeveer eenzelfde percentage verlagen, worden alle landen evenveel aantrekkelijker. Met andere woorden, geen enkel land wordt dan aantrekkelijker, want aantrekkelijkheid is ook hier een relatief begrip. De tarieven zijn inmiddels wel in alle landen lager en de overheden kunnen minder publieke diensten aanbieden dan voorheen. Stel nu eens dat alle overheden met de (te) lage VpB-tarieven bij elkaar gaan zitten en besluiten dat ze allemaal hun VpB-tarieven met eenzelfde percentage verhogen. Zij zullen daar geen enkel bedrijf door verliezen, want de relatieve aantrekkelijkheid van de landen blijft immers nog steeds gelijk. De overheden kunnen echter daarna wel meer publieke diensten aanbieden en dat verhoogt de welvaart. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat als overheden met elkaar concurreren om de beste bedrijven binnen hun grenzen te halen, dit zal leiden tot welvaartsverlies vergeleken met een situatie waarin zij met elkaar afspraken maken over de belastingtarieven. In de EU zouden de overheden die afspraken ook moeten maken (maar dat doen ze niet) of de Europese Commissie zou de VpB-tarieven kunnen bepalen (maar dat doet de EC niet). Omdat dit niet gebeurt, leidt belastingconcurrentie in de EU tot een lagere welvaart dan zou kunnen.

woensdag 16 oktober 2013

Hoe economen redeneren IV: waarom vrij verkeer (in de EU) slecht voor ons is

Veel politici en economen steunden aan het begin van deze eeuw het vrije verkeer voor werknemers in de EU. In vorige afleveringen hebben we al uitgelegd waar die steun op gebaseerd was: vrij verkeer zou welvaart voor iedereen brengen. Ik liet met opzet een paar effecten van het vrije verkeer weg, zoals een lezer al opmerkte. Dat was niet netjes, hoewel: de economen die de EU steunden deden dat indertijd ook. Waarom? Ja, omdat er natuurlijk duizend-en-een effecten zijn van verdergaande integratie in de EU, maar het gaat om de belangrijkste effecten. Het belangrijkste effect was dat de totale welvaart zou toenemen. En wie wil dat nu niet? Dat was een retorische vraag, maar er was toch een antwoord: de mensen van wie de welvaart niet toeneemt willen dat niet. Weliswaar neemt de totale welvaart toe (natuurlijk onder bepaalde voorwaarden die we niet benoemen), maar de verdeling van de welvaart verandert ook door immigratie. De mensen die moeten concurreren met de immigranten krijgen (door die concurrentie) minder inkomen en de mensen die niet hoeven te concurreren met de immigranten (voornamelijk ondernemers, hoog opgeleiden en andere rijken) krijgen juist meer inkomen. Die extra welvaart door het vrije verkeer van werknemers (als die er al is) waar de pleitbezorgers van integratie op wijzen, komt dus ten goede aan mensen die geen last hebben van immigranten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de PvdA jarenlang economen herbergden die warm voorstander waren van toenemende integratie in de EU. Zij waren elite-economen die nooit last hadden gehad van de neveneffecten van immigratie.  Dat is later bijgedraaid, getuige de hartekreet van minister Asscher afgelopen zomer dat migratie tot een massale verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt zou leiden.

dinsdag 15 oktober 2013

Een Nobelprijs voor de economie?

Nee, de Nobelprijs voor de economie is geen ‘echte’ Nobelprijs. De prijs werd in de jaren 60 door de Centrale Bank van Zweden ingesteld om Alfred Nobel alsnog postuum te eren met een prijs voor een vakgebied dat Nobel zelf over het hoofd had gezien. Volgens Taleb moet Nobel zich in zijn graf met afgrijzen afgewend hebben van deze prijs voor een vakgebied dat die naam niet verdient. De Nobelprijs past wel in onze huidige reeks dat je met economische argumenten alles kunt bewijzen, zowel dat een verschijnsel A (zeg immigratie) goed is voor de binnenlandse economie als dat A daar slecht voor is. De Nobelprijs voor dit jaar is uitgereikt aan economen die zo ongeveer het tegenovergestelde hebben beweerd (de markt is efficiënt versus de markt gaat uit van verkeerde signalen).  In 1997 had het ‘Nobelprijs’ comité de prijs uitgereikt aan twee economen Merton en Scholes die het principe van de bepaling voor de optieprijs wiskundig hadden geformuleerd. Hun idee probeerden ze zelf te gelde te maken via een investeringsmaatschappij. In 1998 hadden zij via deze investeringsmaatschappij, Long-Term Capital Management (LTCM), omvangrijke niet gedekte investeringen in derivaten uitstaan die volgens hen theoretisch geen risico konden opleveren. Toen in de zomer van 1998 de Russische overheid bankroet dreigde te gaan, begon LTCM  megaverliezen te lijden die zo groot waren dat een ‘bail-out’ van de Amerikaanse overheid nodig was. Het leek er op dat je een Nobelprijs kon krijgen voor een idee waarmee je failliet kon gaan. Dit jaar is het comité dus zo wijs geweest de prijs te geven aan economen die het tegenovergestelde hebben beweerd. Geloven de Zweedse heren professoren die lid zijn van dit comité soms zelf niet meer in het wetenschappelijke van de economie? Dat je de economische theorie ook van je kapper kunt leren?

maandag 14 oktober 2013

Hoe economen redeneren IIIb: waarom vrij verkeer (in de EU) zo goed voor ons is

In 2007 gingen in Nederland de grenzen open voor werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten uit Oost Europa. En ze kwamen in groten getale (zie de bijgaande grafiek). Sommige politici en economen waren daar door verrast, zelfs die politici die een warm voorstander waren voor verdere integratie in Europa. De standaard economische redenering waarom integratie goed voor iedereen is, gaat als volgt. Er zijn productiviteits- en loonverschillen tussen Oost en West Europa, we repten daar al van: in het westen kun je als Europese werknemer veel meer verdienen dan in het oosten. Als met name Oost Europese werknemers bereid zijn te vertrekken naar oorden waar de lonen hoger liggen, migreren zij dus naar West Europa. Als mensen vanuit laag-productiviteitslanden (Polen, PL) vertrekken naar hoog- productiviteitslanden (Nederland, NL) wordt er in NL meer geproduceerd en in PL minder. Het totale effect is echter dat de totale productie in NL en PL te zamen toeneemt. Dat is niet zo moeilijk te beredeneren. In PL is de productiviteit lager dan in NL en dus zal als PL werknemers in NL gaan werken het verlies aan productie in PL lager zijn dan de extra productie in NL. Dus: in NL is productie meer toegenomen dan die in PL is afgenomen. Het totale effect van migratie op de Europese welvaart is dus positief: het totale Europese inkomen stijgt. De PL werknemers die in NL zijn komen werken verdienen meer dan ze in PL verdienden en gaan er dus op vooruit. Voor de PL werknemers die niet geëmigreerd zijn naar NL, maar in PL zijn blijven werken, is er ook goed nieuws. Hun lonen in PL gaan stijgen omdat ze schaarser zijn geworden door het vertrek van sommige van hun collega’s naar NL. Kortom, het openen van de grenzen voor vrij verkeer van werknemers is één grote goed-nieuws show. In de EU, maar in beginsel ook daarbuiten. Openen dus die grenzen voor Turken, Serviërs, Albanezen, Somaliërs. Of niet? 


donderdag 10 oktober 2013

Hoe economen redeneren IIIa: waarom vrij verkeer (in de EU) zo goed voor ons is

Het mooie van de economische wetenschap is dat je er alles wat je maar wilt mee kunt bewijzen, in theorie. En empirisch geldt dat in feite ook, zoals we al diverse malen op dit blog hebben gezien. Economie is een vorm van toegepaste logica. Je begint met een aantal aannames (bijvoorbeeld: werkenden zijn mobiel over de grenzen heen, er zijn geen migratiekosten, werkenden willen hun inkomen maximaliseren), je gaat redeneren volgens de wetten der logica (het gebruik van wiskunde wordt hierbij aanbevolen) en je komt tot een resultaat. Laten we eens het vrij verkeer van werknemers in de EU als voorbeeld nemen. Vrij verkeer is een van de grondbeginselen waarop de EU is gebaseerd omdat het goed voor ons allemaal is. De redenering is simpel. We beginnen met een constatering, namelijk dat de (marginale) productiviteit van werknemers in verschillende lidstaten ongelijk is. In West Europa is die veel hoger dan in Oost Europa. Dat kan aan een heleboel zaken liggen: in West Europa wordt een geavanceerder techniek toegepast dan in Oost Europa; er is meer vraag naar werkenden in West Europa dan in Oost Europa; in West Europa willen mensen niet zo graag werken (minder arbeidsaanbod), enzovoorts. Hoe dan ook, het gevolg van al die oorzaken te zamen is dat in West Europa de lonen hoger liggen dan in Oost Europa. Tot vroeg in deze eeuw had dat geen enkele consequentie, want de Oost Europese landen waren geen lid van de EU en dus konden Poolse werknemers niet makkelijk in West Europa werk gaan zoeken. Dat veranderde toen Oost Europese landen, met Polen voorop, lid werden van de EU. Op grond van het beginsel van vrij verkeer van werknemers mochten  Poolse burgers in West Europa werk gaan zoeken en dat deden ze. Veel politici en ook economen hadden dat tien jaar geleden niet verwacht en eigenlijk ook niet gehoopt. Vreemd eigenlijk, want volgens de standaardredenering zou dat wel goed voor ons (ons West Europeanen) zijn. Waarom? Lees dat de volgende keer.

maandag 7 oktober 2013

Hoe economen redeneren II: waarom de EU wel goed voor ons is

Economen kunnen met een aantal geschikte aannames iedere stelling onderbouwen die ze wensen. We zagen al hoe je kunt laten zien dat een federaal Europa slecht is voor de welvaart. Je kunt dus ook laten zien dat een federaal Europa goed is voor de welvaart. Met hetzelfde voorbeeld: de aankoop van straaljagers. Kijk, zo gaat de redenering, als ons buurland een straaljager koopt, worden wij daar ook door beschermd en dat is dus ook goed voor ons en zo zijn onze straaljagers goed voor ons buurland. Dus, als wij onze aankopen van straaljagers met elkaar coördineren en er rekening mee houden dat we elkaar een plezier doen door straaljagers aan te schaffen, gaan onze beide landen er op vooruit. Omdat coördineren lastig is, zeker als er tien of meer landen bij betrokken zijn, stellen we een federale regering in die deze coördinatie op ons eigen verzoek op zich neemt. Daardoor dalen ook nog eens de besluitvormingskosten, omdat niet telkens opnieuw het wiel uitgevonden hoeft te worden. De federale regering kan voor alle buurstaten in een keer uitvinden dat de JSF de beste is, of niet. Ieder land profiteert er van als een federale staat voor de lidstaten de straaljagers gaat bestellen. De welvaart met andere woorden is groter dan als iedere lidstaat afzonderlijk straaljagers zou aanschaffen. Kortom, een federaal Europa is een briljant idee. Waarom zouden we nog wachten met een federale regering in Europa in te stellen?  

donderdag 3 oktober 2013

Hoe economen redeneren I: waarom de EU niet goed voor ons is

De klassieke economen van de vroeg 19e eeuw zagen de economie als een wetenschap die, uitgaande van ‘ware postulaten’, wetmatigheden afleidde. Men hing een zogeheten deductieve wetenschapsopvatting aan: al redenerend kom je tot een bepaalde stelling. Een nadeel van deze methode is dat geen enkel waarneembaar feit ooit een bevestiging, maar ook geen weerlegging van de theorie kan opleveren. Hedendaagse economen gebruiken deze methode nog steeds enthousiast, vooral in het  publieke debat. Je hangt een redenering op, gebaseerd op een aantal aannames, die niet altijd even duidelijk zijn, en je komt tot een conclusie die onweerlegbaar is. Laat ik een voorbeeld geven. Je kunt de voorkeur voor collectieve goederen weergeven door een vraagcurve die aangeeft hoeveel men van een goed wil bij wisselende prijzen of kosten. Als de kosten van het goed (bijvoorbeeld straaljagers) bekend zijn, dan weet je ook hoeveel men er van wil hebben. In sommige landen houdt ‘de bevolking’ meer van straaljagers dan in andere landen: ofte wel de voorkeur van het collectieve goed is groter. Als de kosten van het collectieve goed overal gelijk zijn, dan zullen de landen met de ‘hoge voorkeur’ dus meer straaljagers aanschaffen dan de landen met een ‘lage voorkeur’. Geen probleem, want in ieder land is de welvaart die men van de straaljagers krijgt optimaal. Maar stel nu dat deze landen besluiten een federatie te vormen, zoals de EU, maar dan met grote besluitvormingsmacht voor de EU-overheid. Die EU-overheid koopt nu de straaljagers aan. Het aantal straaljagers dat deze EU-overheid koopt zal zo’n beetje gebaseerd zijn op de gemiddelde voorkeur. Gevolg: niemand blij, want geen enkel land krijgt het aantal straaljagers dat het wil hebben. De welvaart met andere woorden is kleiner dan als iedere lidstaat afzonderlijk straaljagers zou aanschaffen. Kortom, een federaal Europa is een slecht idee.

dinsdag 24 september 2013

Wat beleidsmakers doen als het goed gaat



Eind jaren 90 was er een periode van hoge economische groei. De inkomens bleven maar stijgen en de overheid kreeg steeds meer belastingopbrengsten. Het kon niet op. Een verstandige overheid zou die extra opbrengsten bespaard hebben als een appeltje voor de dorst, bijvoorbeeld door extra op de overheidsschuld af te lossen. Het Nederlandse ministerie van Financiën onder leiding van Gerrit Zalm en Wouter Bos (die nu elders zeer bovenmodaal verdienen) had echter besloten dat er een belastinghervorming zou komen en dat die alleen maar geaccepteerd zou worden door het publiek als er ook een fikse lastenverlichting zou worden gegeven. En dat kon, want het ging goed en het zou nooit meer slecht gaan in de wereld. En dus werden voor miljarden euro’s cadeautjes uitgedeeld aan belastingbetalers en werd de economie nog meer opgezweept. Het verder opzwepen van de economie als die al oververhit is, is als het ware een uitnodiging voor een recessie. De aanval op de WTC-torens in New York (2001) kwam wat dat betreft als geroepen. Dat leidde een crisis in, maar die bleek kortstondig. Pas na 2007 begon de echte teruggang. De belastingopbrengsten vielen terug, het overheidstekort liep op en de schuld nam weer toe. Was het beter gegaan als in 2000 geen lastenverlichting was gegeven door Zalm en Bos? Zeker! Dan zou de schuld nu veel minder dan 70% van het nationaal inkomen zijn en de overheid had het tekort verder kunnen laten oplopen dan het kabinet Rutte II nu wil. Het effect op de schuld zou te verwaarlozen zijn geweest. 

vrijdag 20 september 2013

Beleidsmakers trekken ook alleen maar een lijn door

Laatst zat ik bij een bijeenkomst waarin over de financiële situatie van een grote stad werd gesproken. Die situatie is momenteel niet florissant, vooral omdat het met de huizenmarkt niet goed gaat. De gemeenten kunnen hun grond daardoor niet rendabel exploiteren. Iemand zei toen dat bij projecten door gemeenten alleen maar drie jaar vooruit gekeken mag worden. Anders krijg je wensdenken. Dat klinkt redelijk. Toen het nog goed ging met de huizenmarkt, begonnen gemeenten enthousiast aan grote projecten zonder al te uitputtende berekeningen over rendementen, want de rendementen op de commerciëlere onderdelen zouden geweldig zijn. Het gevolg was duidelijk: men ging te veel investeren. Het gevolg van de 3-jaarsregel is ook duidelijk: men gaat te weinig investeren, want in de eerste drie jaar zijn er alleen maar kosten. Ofte wel: als het goed gaat, gaat men te veel doen en als het slecht gaat, gaat men te weinig doen. Dat is een algemeen menselijke eigenschap: als ons of anderen iets ergs overkomt denken we dat het binnenkort weer zal gebeuren. Als er ergens een terroristische aanslag is geweest, moet er binnenkort wel weer een komen. Wat we doen is niets anders dan het in gedachten doortrekken van een lijn. Als die lijn toevallig naar boven gaat, denken we dat die naar boven blijft gaan. Als die lijn naar beneden gaat (en dus tegenspoed impliceert), denken we dat er nooit meer een einde aan onze ellende komt. Het economische beleid is dus ook op die gedachte gebaseerd. Nu gaat het slecht met de economie en de overheidsfinanciën en de beleidsmakers denken (of doen alsof) dat de crisis nooit meer voorbij zal gaan. Er worden draconische maatregelen genomen die voornamelijk tot gevolg hebben dat het alleen maar nog slechter gaat.  

donderdag 12 september 2013

Albert Jolink: de zwarte zwaan van Keynes en Tinbergen (III en slot)


De zwarte zwaan is een hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenis die (vrijwel) niemand verwacht en toch plaats vindt met grote gevolgen. Het succes van de boekenreeks Harry Potter was een zwarte zwaan, het megasucces van The Beatles 50 jaar geleden ook en, natuurlijk, de kredietcrisis van 2007/2008. De zwarte zwaan verdraagt zich slecht met de normale verdeling (zie hoofdstuk 15 van The Black Swan van Taleb). Waarom? Eenvoudig: omdat volgens de normale verdeling extreme waarden praktisch zijn uitgesloten. En zo zijn we weer terug bij de econometristen die veronderstellen dat de residuen van hun regressievergelijkingen een normale verdeling hebben. Dat is een reuze handige aanname omdat je dan met de gegevens in je hand met vrijwel 100% zekerheid iets over de economische werkelijkheid kunt zeggen. Dat was al het onderwerp van het Tinbergen-Keynesdebat van 1939/1940. Albert Jolink beweerde daarover dat zowel Keynes als Tinbergen weinig te zeggen hadden over de zwarte zwaan. Fout! Tinbergen liet zich in dat debat ontvallen dat exceptioneel grote residuen uit een geschatte regressievergelijking misschien toch wel alsnog verklaard zouden kunnen worden. Hele generaties econometristen (waaronder schrijver dezes) zijn opgevoed met het idee dat je deze zogenaamde uitbijters alsnog moet proberen weg te masseren. Keynes in zijn gebruikelijke understatement sabelde deze praktijk bij voorbaat neer. Keynes zegt dat Tinbergen kennelijk veronderstelt dat de analyse nauwkeuriger zal zijn, naarmate er een groot residu zal zijn: “But does he not, in general, judge the accuracy of his analysis by the smallness of his residual?” (Economic Journal, maart 1940, t.a.p., blz. 155). Met andere woorden, Keynes zegt dat Tinbergen veronderstelt dat de residuen voldoen aan de voorwaarden van de Bell curve (residuen zijn klein), maar dat, als er dan toch een zwarte zwaan aan komt vliegen (een exceptioneel groot residu), deze zwarte zwaan alsnog wit geschilderd wordt onder de pretentie dat we de wereld dan zelfs beter begrijpen. Maar dat laatste is natuurlijk niet waar. Als we de zwarte zwanen wit schilderen, zien we ze nog minder aankomen. Zie: Harry Potter (werd als manuscript door alle grote uitgeverijen geweigerd), zie The Beatles (als beginnende band geweigerd door alle grote platenmaatschappijen), zie: kredietcrisis (zag geen enkele econoom aankomen).

zondag 8 september 2013

Hoe toetsen economen hun hypothesen, III

Albert Jolink schreef mij dat Keynes weinig woorden heeft vuil gemaakt aan ‘fat tails’, oftewel zwarte zwanen. Fout, zo schreef ik in het vorige blog: Tinbergen had inderdaad geen benul van zwarte zwanen, maar Keynes wel. Om dat te laten zien, gaan we na hoe economen of econometristen hun hypothesen toetsen. We hebben het daar al eerder over gehad. Dus, we gaan op herhaling. Stel dat een empirisch econoom wil weten of de investeringen van bedrijven door de rente worden bepaald. Dan schrijft hij/zij een meestal lineaire formule op waarin de investeringen een functie van de rente en mogelijk andere zogenaamde verklarende variabelen zijn. Vervolgens zoekt hij/zij gegevens over landen en/of tijdsperioden voor die variabelen die in de formule staan en hij/zij past een regressie toe op hun waarnemingen. Dat wil zeggen, de vergelijking wordt met behulp van de waarnemingen ‘ingevuld’ op een zodanige manier dat de afwijking tussen wat te verklaren is (de investeringen) en de verklaring (de rente en mogelijk andere variabele) zo klein mogelijk is. Helemaal perfect kan het verband per definitie niet zijn: er zijn altijd residuen. Residuen kwamen we al eerder tegen en het blijkt voor de statistiek zeer handig te zijn om daarover te veronderstellen dat ze een normale verdeling hebben. Dat wil zeggen dat ze een vorm hebben zoals in de zogeheten klok- of “bell curve” die hiernaast staat afgebeeld. Als je genoeg waarnemingen hebt bij het uitvoeren van de regressie zullen de residuen in dat geval verdeeld zijn zoals in de figuur is afgebeeld. Dus de meeste residuen liggen in het midden en dat midden wordt gelijk aan nul verondersteld (μ=0 in de figuur). Residuen die ‘ver weg’ liggen (oftewel groter zijn dan 3σ of kleiner dan –3σ) zijn er vrijwel niet. En als die er toch zijn? Dan passen we het recept van Tinbergen toe. Hoe? En wat vond Keynes daar van? Toch nog even geduld. Volgende keer verder.

dinsdag 3 september 2013

Albert Jolink II: Wat wisten Keynes en Tinbergen van zwarte zwanen?

Albert Jolink schreef mij belerend (zie hier) dat Keynes noch Tinbergen veel woorden hebben besteed aan ‘fat tails’, oftewel zwarte zwanen in statistische analyses. Hij verwees mij naar een artikel van hemzelf uit 2000 over het Keynes-Tinbergen debat voor een verdere uitleg. Dat artikel heb ik inmiddels gelezen. Een van Jolink’s hoofdpunten is dat het debat weliswaar ook wel ging over de vraag of statistisch onderzoek tot economisch-theoretische kennis kon leiden, maar de kernvraag was of investeringen nu wel of niet door de rente werden beïnvloed. Keynes maakte daar “ruzie over”, aldus Jolink, waarschijnlijk omdat Tinbergen allemaal vraagtekens zette bij de theorie die hij, Keynes, zelf bedacht had. Tsja, was Keynes zo kinderachtig dat hij via de bewering dat statistiek geen kennis van economisch causale relaties kon opleveren, zijn theorie wilde redden? Nee toch? Ik hou het er op dat Keynes echt niet in het gebruik van statistiek in de economie geloofde omdat statistische relaties niet voldoende stabiel zijn om betrouwbare resultaten op te leveren. Oftewel, de bewering van Keynes was dat de residuen (of storingstermen) niet normaal verdeeld zijn met een gemiddelde waarde van nul. Als dat zo is, zijn statistische schattingen van economische verbanden misleidend. Precies hetzelfde punt waar Taleb een heel boek (de zwarte zwaan) over geschreven heeft. Hoe weet ik dat Keynes er zo over dacht, terwijl hij er, volgens Albert Jolink nauwelijks woorden aan besteed heeft? Keren we dan maar weer terug naar het Tinbergen-Keynes debat eind jaren 30. Tinbergen liet zich in dat debat ontvallen dat de residuen van een regressievergelijking, dat wil zeggen het deel van de verklaring dat volledig door toevalsfactoren zou moeten worden bepaald, misschien toch wel alsnog verklaard zou kunnen worden. Bijvoorbeeld door een staking, of een verandering van belastingen. Dit zal met name het geval zijn bij exceptionele grote residuen. Taleb zou dan zeggen: we hebben een zwarte zwaan. De econometrist zegt: we hebben een uitbijter. Keynes vond dit laatste een inconsistente interpretatie van het gebruik van statistiek, zoals we in het volgende blog zullen zien.

vrijdag 30 augustus 2013

Albert Jolink: Samuelson versus Taleb is niet Keynes versus Tinbergen

Albert Jolink is een econoom die ook wel eens over de beroemde discussie van Keynes versus Tinbergen heeft geschreven. Toen ik dan ook in het economenblad ESB een deel van die discussie verwerkte en vergeleek met de Samuelson versus Taleb discussie (die geen discussie was, want bij mijn weten heeft Samuelson bij leven niet gereageerd op de aanval van Taleb), stuurde hij mij en het tijdschrift ESB een reactie. Daarin stond: “dat de verwijzingen naar Tinbergen (…) overbodig zijn omdat het onderwerp over Samuelson vis-à-vis Taleb gaat, over een onderwerp (fat tails) waar Keynes noch Tinbergen veel woorden aan vuil hebben gemaakt. Graag verwijs ik naar een jeugdzonde van mij uit 2000 (!): In Search of Verae Causae: The Keynes-Tinbergen Debate Revisited voor een verdere uitleg.” Dit was overigens het meest aardige deel van de reactie, maar we gaan niet mokken. Wat Jolink hier beweert is dat Keynes nauwelijks een idee over fat tails had en dat dus de discussie Keynes-Tinbergen niets te maken had met de Taleb-Samuelson discussie. De discussie over de fat tails is in feite een discussie over de residuen van regressievergelijkingen. De standaardvergelijking over de residuen is dat ze normaal verdeeld zijn rond nul. Oftewel, residuen, of hun theoretische evenbeeld: de storingstermen, zullen meestal in de buurt van nul liggen, dus klein zijn. We zouden ook kunnen zeggen: alle residuen zijn witte zwanen. Het is een langlopende traditie onder econometristen om, als een residu in een bepaald jaar groot blijkt te zijn, te kijken of er niet iets bijzonders aan de hand was in dat jaar. Dat zou een staking kunnen zijn, of een nieuwe belasting die een grote invloed op het gedrag heeft gehad. Geen toevallig gekozen voorbeelden. Zij zijn van Tinbergen in zijn antwoord van 1940 op Keynes. Hier blijkt uit dat Tinbergen inderdaad geen benul had van 'fat tails' oftewel zwarte zwanen, maar Keynes had dat wel. Hoe dat zit, dat zien we een volgende keer. 

dinsdag 27 augustus 2013

Mijn tweede empirische onderzoek (1980-1981): Morkmon

Bij De Nederlandsche Bank (DNB) was dus mijn belangrijkste bezigheid het schrijven van nota’s. In die nota’s liet ik wel eens de resultaten van een regressie zien, maar dat was nooit gebaseerd op een echt onderzoek dat tot een paper zou kunnen leiden. Maar ergens in 1980 werd door waarschijnlijk Martin Fase, al dan niet na toestemming van de directie van DNB, besloten dat er bij DNB een monetair model moest komen. Er waren wel allerlei deelonderzoeken, maar die waren nooit aan elkaar gekoppeld. Er werd een werkgroepje gevormd dat het model in elkaar mocht knutselen en ik zat daar ook bij. Het zou een van de leukste perioden uit mijn leven als econoom/econometrist worden. Waarom eigenlijk? Hoe kon werken op zo’n bureaucratisch instituut als DNB nu leuk zijn? Eenvoudig, we waren allemaal gelijk gestemd en hadden bij dit werk eigenlijk niet zo veel met de hiërarchie en de bureaucratie van de bank te maken. We waren enthousiast bezig data te verzamelen en vergelijkingen opnieuw te schatten en boomden daar op vrijdagmiddag lang over door. Er was in dat groepje niemand die met zijn carrière bezig was, niemand die de veren van de collega’s wilde afpikken. We wilden gewoon een monetair model maken en daar een mooi verhaal over schrijven. Mijn leven als hoofdbeambte bij DNB, begin jaren 80, lachte mij toe. Het was, helaas, het begin van het einde. Nog voor het monetair model helemaal klaar was, had ik DNB alweer verlaten. Mijn mooie inkomen gaf ik op en de hypotheek moest ik veel duurder, elders afsluiten. Nadat ik DNB had verlaten, duurde het minstens zeven jaar, maar misschien wel veel langer voor ik weer hetzelfde inkomensniveau als bij DNB had bereikt. Waarom ging ik dan weg? Dat komt later. We keren eerst weer terug naar andere economen.

vrijdag 16 augustus 2013

Mijn tweede baan (1979-1982): DNB revisited III

Wat deed ik dan zoal bij De Nederlandsche Bank (DNB)? De belangrijkste bezigheid was het schrijven van nota’s. Ik heb ze bewaard, allemaal ouderwets getypt door secretaresses met hier en daar correcties met behulp van witsel. Die nota’s waren vaak het gevolg van een verzoek om informatie door leidinggevenden, meestal Martin Fase. De nota’s die ik schreef zaten vol econometrie, dat wil zeggen het ging over empirische schattingen van meestal monetaire relaties, zoals het netto geldscheppend bedrijf door banken, of de beleggingen door banken. Termen als autocorrelatie, heteroscedasticiteit, Slutsky-decompositie, kortom termen waar een econometrist dol op is, waren niet van de lucht. Ik deed voor die nota’s ook zelf schattingen, maar er waren anderen voor om dat uit te voeren. Als hoofdambtenaar kon je aan de beambten van jouw afdeling vragen het zware, dus statistische, werk te doen. Op de universiteit werd er van uitgegaan dat je alles zelf deed. Bij DNB werd er van uitgegaan dat de hoofdbeambte zijn tijd beter kon gebruiken. Het was een luxueuze positie en soms droomde ik dat ‘mijn’ beambten alsnog de stelling van Tinbergen over inkomensongelijkheid voor mij zouden toetsen en, bij voorkeur, bevestigen. Dat ging natuurlijk niet. Ik kon alleen werk opdragen aan beambten waar uiteindelijk mijn leidinggevenden toestemming voor hadden gegeven. Zij gaven geen toestemming voor onderzoek dat ik interessant vond. Zij gaven mij zelfs geen toestemming om onderzoek te doen in onderwerpen die ze wel interessant vonden, zoals de geldvraag. Mijn leidinggevenden waren kennelijk bang dat ik er een econometrieshow van zou maken. Zo was ik dus in een ideale positie gekomen om empirisch werk te doen, maar kon ik er geen gebruik van maken. Dat moest gaan wringen. Inderdaad, maar er stond veel tegenover. Een hoog salaris, een goedkope hypotheek, een bedaard tempo en dus zeker geen stress. De zogenaamde gouden ketenen waar de minst ambitieuze medewerkers graag hun hele leven aan gekluisterd bleven. 

zondag 11 augustus 2013

Mijn tweede baan (1979-1982): DNB revisited II

Tegenwoordig wekt de De Nederlandsche Bank in haar personeelsadvertenties de indruk dat ze bij voorkeur exotische en excentrieke types in dienst neemt. Begin jaren 80 was DNB een vermolmd instituut waar hiërarchie en etiquette belangrijker waren dan inhoud. Het was bekend dat, mocht je eens het geluk hebben bij een directielid geroepen te worden, je vooral niet moest vergeten je colbert aan te trekken. Anders werd je er na afloop van het gesprek door de secretaresse van het directielid nog even op gewezen hoezeer het directielid had geleden door het ontbreken van je colbert. Het ontbreken van een stropdas was een nog grotere doodzonde. Bureaucratisch was DNB ook, in het pré-internettijdperk. Als ik bijvoorbeeld de export van, zeg, Gambia in 1977 wilde weten dan kon ik niet naar DNB-ambtenaar Mr. X gaan, wiens specialiteit het maken van exportstatistieken was. Als ik Mr. X zou mogen opbellen, had ik binnen een minuut de export van Gambia in 1977 geweten. Er waren toen mensen bij DNB werkzaam die hun ‘eigen’ statistieken uit hun hoofd kenden. Maar die mocht je niet zo maar benaderen. Dan zou je het hoofd van de afdeling van Mr X (of zijn secretaresse) op je dak krijgen. Ik moest eerst naar de baas van mijn afdeling, Martin Fase, aan wie ik moest vragen of hij wilde vragen aan de baas van de afdeling van Mr. X of Mr. X mij de export van Gambia in 1977 kon geven. Zo duurde het minstens een week, in plaats van een minuut, voor ik het gewenste gegeven had. Inderdaad, zoals ik al eerder zei, DNB had geluk dat toen niet de kredietcrisis was uitgebroken. Ze zouden het pas jaren later door hebben gehad.

donderdag 8 augustus 2013

Mijn tweede baan (1979-1982): DNB revisited I

Op 1 mei 1979 begon ik als hoofdambtenaar bij De Nederlandsche Bank (DNB) op de afdeling Wetenschappelijk Onderzoek en Econometrie die onder leiding stond van Martin Fase. Ik had een driedelig pak gekocht, want dat DNB een formele club was met krijtpakken en een strikte hiërarchie, dat was mij vanaf het begin duidelijk. Het was eigenlijk erger dan ik het me van te voren had voorgesteld. Ik herinner me een bespreking met Kessler (1917-2002), toen lid van de directie van DNB, met een aantal ondergeschikten, waaronder Martin Fase en ikzelf. Kessler was voortdurend aan het woord. Het was niet de bedoeling dat anderen hun mond open deden, ook Martin Fase niet, die toch behoorlijk hoog was in de hiërarchie van DNB. Alleen als je aangesproken werd, mocht je wat zeggen. Op het eind van zo’n bespreking werden er geen conclusies getrokken of werkafspraken gemaakt. De lager geplaatsten in de hiërarchie moesten uit de wijze woorden van Kessler begrijpen wat hun te doen stond. En als ze het niet begrepen, dan hield hun carrière bij DNB wel zo ongeveer op. Er was bij DNB natuurlijk ook nog de vermaarde Jelle Zijlstra als president, maar hem heb ik in de tijd dat ik er werkte alleen van grote afstand mogen aanschouwen. Wel werd ons, medewerkers bij DNB, meegedeeld wanneer we de President op de verrekijk mochten aanschouwen. Thuis mochten we wel naar hem kijken, maar op het werk niet. Ik vroeg mij later vaak af hoe het toch kwam dat DNB toen geen grote blunders beging, gezien het werkklimaat. Puur geluk, weet ik nu. Als in 1979 de kredietcrisis zou zijn uitgebroken, was de bank terstond met president en al door het Frederiksplein gezakt. 

dinsdag 6 augustus 2013

Na een mislukt onderzoek (1976-1978) wenkte DNB

Eerst maar weer eens iets over mijn eigen leven als econoom. Eerder vertelde ik hoe mijn eerste empirische onderzoek mislukte (1976-1978). Ik wilde een hypothese van Tinbergen over de ontwikkeling van inkomensongelijkheid toetsen, maar er kwam niets uit of het verkeerde resultaat. Ik probeerde van alles, maar na twee jaar ploeteren was ik weer bij het begin van mijn onderzoek. Twee jaar lang was ik, als op een eiland, rondjes blijven draaien: er was geen hulp en ik zocht ook geen hulp. Ik voelde me mislukt als onderzoeker, maar kwam nog net niet in een depressie. Ik moest weg van de academie, dat was duidelijk. Er waren vacatures genoeg: bij het SCP, bij het CPB, bij De Nederlandsche Bank (DNB), bij de AMRO, de SVB, de KHT. De barre winter van 1978/1979 kan ik me voornamelijk herinneren als een winter waarbij ik in de sneeuw of over ijs van het ene sollicitatiegesprek op weg was naar het volgende sollicitatiegesprek. Waarom iedereen mij serieus nam na zo’n mislukking, weet ik ook niet. Er waren overigens afzeggingen genoeg. Bij de AMRO mocht ik niet komen, want ze vonden mij te pessimistisch. Banken hebben liever optimistische en assertieve types als Rijkman Groenink die in 1974 wel mocht komen bij de AMRO. Enfin, DNB deed me wel een aanbod, maar alleen als onderzoeker. Ik kon er niet op rekenen ooit in een beleidsfunctie bij DNB terecht te komen. Het toenmalige hoofd van de onderzoeksafdeling, Martin Fase, had kennelijk een lans voor mij gebroken. Ik zou hem er dankbaar voor moeten zijn dat ik dankzij hem een tweede kans kreeg op de arbeidsmarkt, maar nu 35 jaar later heb ik gemengde gevoelens. Dankbaarheid is een schaars goed. Ook bij mij.

zondag 7 juli 2013

Nassim Taleb tegen Paul Samuelson

We zeiden al dat een van de basisstellingen van Nassim Taleb is dat economische projecties onmogelijk zijn. Er ligt altijd een zwarte zwaan op de loer. Zodra die verschijnt kunnen alle voorspellingen de prullenbak in. Economische voorspellingen zijn dus eigenlijk altijd zinloos. Nogal wiedes, volgens Taleb. Mensen hebben immers een vrije wil; dus reageren ze onvoorspelbaar op een bepaalde gebeurtenis. Er zijn weliswaar hersenwetenschappers, zoals Dick Swaab in Nederland, die beweren dat veel van ons gedrag, onze mogelijkheden en voorkeuren al jong via genetische informatie zijn vastgelegd in onze hersenen en niet meer veranderd kunnen worden. Dat wil echter niet zeggen dat mensen geen afwegingen meer kunnen maken. Mensen zijn geen automaten die voorspelbaar reageren op externe stimuli. Daarom, zegt Taleb, dat als mensen een vrije wil hebben, economische projecties onmogelijk zijn. Maar, nog steeds volgens Taleb, de neo-klassieke economie heeft een uitweg uit dit probleem gevonden, namelijk door te veronderstellen dat individuen rationeel zijn. Dan zal het gedrag van een individu, zodra de omstandigheden bekend zijn, vast liggen. Het individu bepaalt zijn reactie (aldus de neo-klassieke theorie) door zijn nut of welzijn te maximaliseren. Daarvoor hoef je alleen maar te kunnen differentiëren. Een econoom kan dat en dus kan hij ook het gedrag van het individu voorspellen. Economie is, op deze wijze, gereduceerd tot het optimaliseren van doelfuncties. Taleb zegt: “Ik zou niet de eerste zijn die zegt dat dit optimaliseren de economische wetenschap heeft terug geworpen van de reflectieve wetenschap die het aan het worden was naar een poging tot exacte wetenschap (…).” Wie heeft volgens Nassim Taleb een groot aandeel  gehad in deze benadering? Niemand minder dan onze vriend Paul Samuelson die we hebben leren kennen als iemand die opkomt voor arme ouderen. Door Taleb wordt hij weggezet als een fraudeur. Waarom? Wilt u het nu al weten? Lees dan deze week het economenblaadje ESB.  

vrijdag 5 juli 2013

Paul Samuelson en financiële markten

De AOW is gebaseerd op het idee van de kettingbrief. Je geeft iets aan iemand; anderen, die na jou komen, geven iets aan jou. Als je een van de eersten in de rij bent, krijg je er veel voor terug. Als je echter een van de laatsten bent krijg je weinig of helemaal niets meer terug. Bij de AOW speelt dat ook want als je een jongere bent in een krimpende bevolking (zoals nu) moet je veel betalen aan ouderen (want die zijn met velen), maar krijg je er later maar weinig voor terug van de dan levende jongeren (want die zijn met weinigen). Toen Samuelson in 1958 de AOW voorstelde als oplossing voor de chocolade-economie, groeide de bevolking nog uitbundig en was een bijdrage aan de AOW (in de VS, maar ook in NL) een goudgerande investering. Of hij geweten heeft dat die situatie maar tijdelijk zou zijn, is niet duidelijk. Het is eigenlijk niet relevant, want het inzicht van Samuelson over de waarde van de AOW berust op iets anders, namelijk op het feit dat het soms niet mogelijk is veilig te sparen. Waarom niet? Omdat geld als chocolade kan zijn dat smelt voor de zon. Ofte wel, de financiële markten kunnen ernstig falen. Als dat zich voordoet zien ouderen hun spaarcentjes in rook opgaan en raken ze aan de bedelstaf. In de jaren 50 en 60  van de vorige eeuw was dat niet zo’n voor de hand liggende mogelijkheid, maar Samuelson was zelf getuige geweest van de Grote Depressie in de jaren 30 waarin banken bij bosjes omvielen en ouderen hun oudedagsvoorziening kwijt raakten. Samuelson zou zelf ook nog net oud genoeg worden om de kredietcrisis van 2008 mee te maken waarin voor een deel hetzelfde gebeurde als in de Grote Depressie. De ironie van de geschiedenis is dat hij zelf als wetenschapper een rol speelde bij het veroorzaken van die crisis. En hij betreurde die rol, zoals we later zullen zien.

zondag 30 juni 2013

Milton Friedman en de AOW

Samuelson beschreef in zijn artikel in 1958 dat de AOW de oplossing zou zijn voor de problemen van een chocolade-economie. Dat leek een beetje op mosterd na de maaltijd, want in Nederland hadden we al sinds 1956 de AOW en in de VS was die al zelfs al in de jaren 30 ingevoerd, tijdens de grote depressie. Discussie gesloten, dus? Toch niet, velen in de VS zagen de AOW (social security) als een vorm van fraude. Een andere Nobelprijswinnaar in de economie en verdediger van de vrije markt, Milton Friedman (1912-2006), was fel tegen social security, een systeem waar geen vraag naar was, zoals hij op deze video zegt. Waarom dwing je mensen (jongeren) voor anderen (ouderen) te zorgen, terwijl die mensen ook heel goed voor zichzelf kunnen zorgen, is zijn boodschap. Als mensen willen kunnen ze zich verzekeren, tegen ouderdom en tegen ziekte, en daar is de overheid helemaal niet bij nodig. Met andere woorden, de chocolade-economie van Paul Samuelson was aan Friedman niet besteed. Hij zal dat ongetwijfeld een kunstmatige uitvinding gevonden hebben, die niets te maken had met de ‘echte’ economie. Overigens, wij in Nederland hadden in 1956 dan wel de AOW gekregen, maar uit toelichtingen bij de wetstekst bleek dat het uitdrukkelijk een tijdelijk instituut zou zijn. Als mensen zelf in staat zouden zijn voor hun oude dag te zorgen, zou de AOW overbodig zijn. Dat was min of meer in lijn met Friedman’s idee over de AOW. Alleen Friedman wist al dat een tijdelijk overheidsprogramma een grote kans heeft permanent te worden.

vrijdag 28 juni 2013

Paul Samuelson en de AOW

We zagen dat Paul Samuelson in 1958 een chocolade-economie beschreef waarin ouderen en jongeren wonen. Alleen de jongeren krijgen een inkomen, maar dat inkomen is bederfelijke chocolade die ze niet kunnen bewaren tot ze oud zijn. Jongeren hebben dus te veel chocolade en ouderen te weinig.  Economen hebben een heilig geloof dat de markt wel tot een correctie zal leiden: het prijsmechanisme zorgt voor een optimum. Er wordt immers via de markt geruild tot iedereen de optimale hoeveelheid goederen heeft. Alleen in de chocolade-economie van Paul Samuelson kan er niet geruild worden. Er zijn alleen maar jongeren en ouderen. De jongeren hebben allemaal te veel chocolade: ze zouden hun chocolade wel willen ruilen tegen geld bijvoorbeeld dat ze dan in een oude sok stoppen en waarvan ze als ze oud zijn chocolade kunnen kopen. Het probleem is dat alleen de ouderen in aanmerking komen voor zo’n ruil en die ouderen hebben niets!  Hoewel Maurice Allais dit probleem 10 jaar eerder dus ook al gezien had, heeft Paul Samuelson dit waarschijnlijk onafhankelijk van Allais bedacht. Er is iets mis met intertemporele ruil, dat was de boodschap. Tot zover waren we inderdaad gekomen in het vorige blog. Zag Paul Samuelson een oplossing? Zeker, de jongeren en de ouderen moeten een overheid installeren en die overheid neemt chocolade van de jongeren en geeft dat aan de ouderen. Bovendien belooft de overheid aan de jongeren dat als zij oud zijn de dan levende jongeren ook een deel van hun chocolade moeten afstaan, zodat ook zij chocolade kunnen eten als ze oud zijn. Dit voorstel komt natuurlijk gewoon neer op de invoering van de AOW. Bij de AOW geven jongeren aan ouderen en hopen ze als ze oud zijn dat ze iets krijgen van degenen die dan jong zijn. Samuelson schreef zijn artikel in 1958. In Nederland was de AOW al in 1956 ingevoerd en in de VS zelfs al in de jaren 30. In de VS wordt de AOW social security genoemd en sommige Amerikanen zien het als een vorm van fraude (zie cartoon) Samuelson niet, zoals we in een volgend blog zullen zien.

maandag 24 juni 2013

Paul Samuelson en de chocolade-economie

Laten we nog een voorbeeld geven van het werk van Paul Samuelson. In 1958 introduceerde hij het zogeheten overlappende-generaties (afgekort tot OLG) model. Dat leek toen nieuw, maar later bleek dat de Fransman Maurice Allais hetzelfde OLG-model al in 1947 had beschreven, maar dan in het Frans en door niemand opgemerkt. Het OLG-model kan heel simpel beschreven worden. Stel, in een economie leven alleen jongeren en ouderen in een bepaalde periode. In de volgende periode zijn de ouderen uit de vorige periode dood, de jongeren uit de vorige periode zijn oud en er is een ‘nieuwe’ generatie jongeren. Neem vervolgens aan dat alleen de jongeren een inkomen krijgen en de ouderen niet. Dat inkomen is echter een bederfelijk goed dat de jongeren niet kunnen bewaren tot ze oud zijn in de volgende periode. Denk bijvoorbeeld aan chocolade dat zou smelten als je het tot de volgende periode zou willen bewaren. Het gevolg is dat alleen jongeren kunnen consumeren, maar ouderen niet, want zij krijgen geen inkomen. De ouderen hadden waarschijnlijk liever een deel van hun chocolade bewaard tijdens hun jeugd om het nu te kunnen opeten, maar dat had geen zin gehad: de chocolade zou nu bedorven zijn. De huidige jongeren hebben weer hetzelfde probleem: zij moeten wel al hun chocolade opeten, omdat ze die niet kunnen bewaren. Het is duidelijk dat deze economie geen efficiënt evenwicht oplevert. De jongeren moeten te veel chocolade eten, de ouderen hebben niets. Dit was een bijzonder resultaat omdat economen er tot dat moment vanuit gingen dat de markt altijd tot een optimaal resultaat leidt, maar in dit geval duidelijk niet. Hoe komt dat? Wel eenvoudig: er is geen markt waar goederen verhandeld zouden kunnen worden. De jongeren zouden wel een deel van hun ‘huidige’ chocolade willen ruilen voor ‘toekomstige’ chocolade, maar er is niemand waar ze mee kunnen ruilen. Is er een oplossing?

zaterdag 22 juni 2013

Paul Samuelson en de optimale consumptie van collectieve goederen

Bij collectieve goederen geldt dat we die met zijn allen kunnen consumeren. Consumeren dan niet in de zin dat we het opmaken, zoals bij een hamburger, maar dat we er van genieten, zoals bij een snelweg, of bij de nationale defensie waar we allemaal baat van hebben. Dit simpele gegeven leidde bij Paul Samuelson tot het inzicht dat nu voor een optimaal aanbod niet moet gelden dat de individuele extra baten van het goed gelijk moeten zijn aan de prijs, zoals bij individuele goederen, maar dat dat moet gelden voor alle individuele baten opgeteld. Simpel! In plaats van MB=MK leren we studenten dat voor collectieve goederen moet gelden, dat de som over alle individuen van de MB gelijk moeten zijn aan de MK. Nou en? Hebben politici er wat aan om dat te weten? vragen studenten dan wel eens. Nee, zeg ik dan, daar hebben politici niets aan, maar wij economen wel. Economen kunnen zich werelden voorstellen waarin bijvoorbeeld politici besluiten nemen over collectieve goederen, maar dan alleen maar rekening houden met hun eigen achterban. Bij een linkse regering wordt er alleen maar rekening gehouden met het arme deel van de bevolking en bij een rechtse regering wordt er alleen maar rekening gehouden met het rijke deel van de bevolking. Dat wil dus zeggen dat in de feitelijke politiek wel de som van MB gelijk worden gemaakt aan de MK, maar de som gaat niet over alle individuen en kan dus niet tot een optimaal aanbod van collectieve goederen leiden. Dankzij Paul Samuelson weten we dat het politieke bedrijf niet tot een optimale omvang van de collectieve sector zal leiden.

woensdag 19 juni 2013

Paul Samuelson en de optimale consumptie van een hamburger

Paul Samuelson (1915-2009), is volgens normen van de economische professie een van de grootste economen van de 20e eeuw met bijdragen op vrijwel alle deeldisciplines van de economie. Zo heeft hij het Samuelson-Stolper theorema (internationale handel) op zijn naam staan; hij heeft het overlappende-generatie model gepopulariseerd onder economen; hij heeft de voorwaarden voor Pareto-optimaal aanbod van collectieve goederen afgeleid (veelal de Samuelson-voorwaarde genoemd). Deze en andere bijdragen aan de economische wetenschap zijn gebaseerd op een kernachtige wiskundige formulering van een economisch idee. Neem als voorbeeld de formulering van de Samuelson-voorwaarde. Het was al lang bekend aan welke voorwaarden de consumptie van een particulier goed, zoals een hamburger, moet voldoen om de maximaal mogelijke welvaart aan consumenten te kunnen bieden. Ietwat technisch gezegd moet gelden dat voor ieder goed dat een consument aanschaft de marginale baten gelijk moeten zijn aan de marginale kosten. Dat laatste is veelal de prijs die ervoor betaald wordt. De redenering is eenvoudig. Als de extra baten die je krijgt van het consumeren van een extra hamburger groter is dan de prijs, dan moet je die hamburger zeker nog nuttigen. Je krijgt er immers meer voor terug (de extra baten) dan je ervoor betaalt (de prijs). Maar omdat je na iedere volgende extra hamburger steeds minder zin krijgt in een volgende hamburger of, zoals de econoom zegt, de marginale baten dalen, zal na de consumptie van een zeker aantal hamburgers de extra baten van nog een hamburger niet meer opwegen tegen de prijs. Dan moet je ophouden met nog meer hamburgers te consumeren. De marginale baten (MB) zijn dan dus gelijk aan de prijs, oftewel de marginale kosten (MK). Aan eerstejaars studenten in de economie leren we dan ook dat voor een privaat goed dat op de markt gekocht wordt, moet gelden: MB=MK. Als dat voor iedereen geldt, is er een ‘optimale’ situatie bereikt. Optimaal wil zeggen dat je niemands welvaart kunt verbeteren zonder de welvaart van minstens één ander persoon te verlagen. Omdat meestal iedereen dezelfde prijs betaalt voor een hamburger, zal iedereen dezelfde marginale baten van het eten van een hamburger hebben. Maar hoe werkt dat bij een goed dat door de overheid wordt geproduceerd en door meerdere mensen tegelijkertijd geconsumeerd wordt? Enter Paul Samuelson in 1954.

vrijdag 7 juni 2013

De zwarte zwaan en wat we niet kunnen weten

Om het gemiddelde gewicht te kunnen bepalen van de bevolking kunnen we met onze steekproef van duizend personen een redelijk betrouwbare schatting krijgen. Maar, zoals een trouwe lezer van dit blog al vermoedde, dit geldt niet als we een schatting willen maken van economische grootheden. Stel bijvoorbeeld dat we met die steekproef ook het gemiddelde financiële vermogen willen bepalen. Zeg dat uit onze steekproef blijkt dat het gemiddeld vermogen 100.000 euro bedraagt. Dat zou erg veel zijn, want kinderen hebben over het algemeen geen vermogen. Om na te gaan of onze berekening van het gemiddelde vermogen bestand is tegen extreme waarden gaan we op zoek naar de rijkste man/vrouw op aarde. Er blijken twee superrijke mannen te zijn, namelijk de Mexicaan Carlos Slim Helú en natuurlijk Bill Gates, allebei hebben ze een vermogen van zo’n 45 miljard euro. We zien een van de twee echter over het hoofd en nemen de ander op in onze steekproef van duizend personen. Als we nu opnieuw het gemiddelde vermogen gaan uitrekenen met onze superrijke erbij, dan blijkt het gemiddelde vermogen gestegen te zijn van 100.000 euro naar meer dan 40 miljoen euro! Het gemiddelde vermogen wordt opeens meer dan 40 maal zo groot door de toevoeging van één enkele waarneming. Steekproeven geven bij dit soort verschijnselen dus geen betrouwbare informatie over het gemiddelde. Het resultaat kan gedomineerd worden door het al dan niet ontbreken van een extreme waarde. Bij wat voor soort verschijnselen doet zich dit voor? Bij bijna alle economische verschijnselen, zoals Taleb beweert. Als Taleb gelijk heeft, dan is een groot deel van de economisch empirische kennis gebouwd op drijfzand.

dinsdag 4 juni 2013

De zwarte zwaan en wat we wel kunnen weten

Het boek de zwarte zwaan van Nassim Taleb is misschien het boek dat het meeste indruk op mij heeft gemaakt, na het boek De avonden van G.K. van het Reve dat mij na lezing op mijn zestiende maandenlang met een zwarte wolk bleef omhullen. De zwarte zwaan leidde niet tot een zwarte wolk, daarvoor was het weer te weinig een echt goed boek. Er zijn passages waar de auteur voornamelijk erg tevreden met zichzelf lijkt te zijn die dan weer afgewisseld worden met briljante verbeeldingen van zijn belangrijkste idee, namelijk dat veel economische verschijnselen niet te voorspellen zijn. Hier is, na de kerstkip, weer een andere verbeelding van zijn idee. Stel dat we zo’n duizend mensen, die we willekeurig bij elkaar hebben gekregen, gaan rangschikken op hun gewicht. Het gemiddelde gewicht, baby’s en kinderen meegerekend, zal op ongeveer 60 kilo uitkomen. Stel nu dat je daar de dikste persoon die je je kunt voorstellen aan toevoegt. Zeg dat zij (het blijkt een zij te zijn geweest) 700 kilo weegt. Als je nu het gemiddeld gewicht opnieuw berekent, dan neemt dat met nog geen kilo toe. Zulke dikke personen zijn zeer uitzonderlijk (er is maar een enkel persoon geweest die zo zwaar was) en afgezet tegen het gemiddelde gewicht van de hele wereldbevolking veranderen ze het gemiddelde gewicht nauwelijks. Conclusie: een extreme waarde (een zwarte zwaan) heeft bij deze variabele (het gemiddelde gewicht) nauwelijks invloed op de waarde van die variabele. Je kunt dus uit je steekproef van duizend mensen een redelijk betrouwbare schatting van het gemiddelde gewicht afleiden.

woensdag 29 mei 2013

Het leven van de kip eindigt als een zwarte zwaan

Onlangs heb ik de Black Swan van Nassim Taleb gelezen. Als ik een soortgelijk boek 40 jaar geleden had gelezen was ik misschien niet econometrie gaan studeren. Waar dit boek op neer komt is het idee dat waarnemingen van economische verschijnselen geen enkele betrouwbare informatie geven over de toekomstige ontwikkeling van deze economische verschijnselen. Eigenlijk gaat het boek niet alleen over economische verschijnselen, maar ik beperk me tot de economische werkelijkheid. Het is een wat technisch verhaal, maar Taleb vertelt het met een groot aantal beeldende vergelijkingen. Hij geeft het voorbeeld van het leven van de kalkoen tot Thanksgiving Day. Op Thanksgiving Day worden in de VS massaal kalkoenen geslacht die voor het zover is uiteraard zeer goed verzorgd worden. Wij doen dat niet met kalkoenen maar met kippen en dan voor het kerstfeest. Het leven van de kip staat hiernaast afgebeeld. Vanuit het standpunt van de kip bezien is haar leven een weldadige droom. Als we t dagen voor Kerstmis (K–t) aan de kip zouden vragen, hoe zij haar toekomst zou zien, zou zij de gele curve tot ver in het oneindige doortrekken. Zo veel geluk, het kan niet op. Tot de dag voor kerstmis aanbreekt. Enfin, het resultaat is op de grafiek te zien. De gele curve zou je kunnen zien als een lange serie waarnemingen over een economisch verschijnsel, bijvoorbeeld de waarde van een aandeel. Als je op K–t de aanschaf van een aandeel overweegt, zou je niet twijfelen juist dit aandeel te kopen. Stop al je geld er maar in, want de waarde van het aandeel (de gele curve) blijft maar stijgen. Helaas, met kerstmis ben je failliet. De dag voor kerstmis is als de komst van een zwarte zwaan (faillissement van het bedrijf waar jij je geld in hebt gestoken) en jij vraagt je af hoe dat kan: zwanen zijn toch altijd wit (bedrijven blijven altijd groeien).

woensdag 8 mei 2013

Jan Tinbergen over John Maynard Keynes

Jan Tinbergen (1903-1994) overleefde John Maynard Keynes (1883-1946) bijna 50 jaar. Genoeg tijd dus om na te denken over de ernstige woorden die Keynes gesproken had over zijn pionierswerk bij de Volkerenbond (League of Nations). Erg kritisch op zijn eigen werk is hij niet geweest. Daar was in de naoorlogse periode ook weinig reden toe. Al bij de dood van Keynes beweerde een andere economische grootheid, namelijk Paul Samuelson (1915-2009), die de Nobelprijs voor de economie kreeg in 1970, dus een jaar na Tinbergen, dat Keynes technisch incompetent was. Met andere woorden, Keynes kon geen economische theorieën in wiskundige vorm schrijven en, zo is de suggestie, hij was dus ook niet erg gekwalificeerd om iets over het werk van Tinbergen te zeggen. Tot aan de jaren 90 van de 20e eeuw bleef de economische professie op de hand van Tinbergen. Tinbergen zelf was ook niet erg vriendelijk over de nagedachtenis van Keynes. In een interview in 1987 zei hij dat Keynes heel slecht geïnformeerd was over de ontwikkelingen in de econometrie en dat terwijl Keynes een boek over statistiek had geschreven. Tinbergen verhaalde in dat interview over de enige ontmoeting die hij met Keynes had gehad en wel in 1946. Hij vertelde Keynes dat hij statistisch had bepaald dat een belangrijke economische parameter die volgens Keynes de waarde 2 moest hebben, inderdaad gelijk was aan 2. Tinbergen dacht dat Keynes blij zou zijn met deze boodschap.
Dat was natuurlijk een naïeve gedachte na alle kritiek die Keynes op zijn statistische werk had gehad. En inderdaad, Keynes in briljant understatement zei alleen maar dat hij het leuk vond voor Tinbergen dat hij de juiste waarde van de parameter had gevonden. Met andere woorden, hij had zich de moeite kunnen besparen, want Keynes kende de waarheid al, zonder statistiek toe te passen. Tinbergen vond het een “leuke ervaring”, zoals hij ruim 40 jaar later verklaarde.

vrijdag 12 april 2013

John Maynard Keynes over Jan Tinbergen en de Septuagint

70 econometristen vinden iets
Tinbergen wilde het bezwaar van Keynes over de generali-seerbaarheid van econometrische resultaten niet erg serieus nemen in maart 1940, zoals we zagen. De Tweede Wereldoorlog was bijna begonnen en Keynes en Tinbergen zouden meer dan vijf jaar geen contact meer kunnen hebben. Nog één keer gaf Keynes een reactie in een naschrift bij Tinbergen’s artikel. Het is een onder economen beroemd naschrift; het was bijtend, briljant en dodelijk. Ik zal een deel letterlijk citeren (in mijn vertaling): “Professor Tinbergen moedigt mij meerdere malen aan om zelf meer pudding te koken (of, bedoelt hij, te eten) alvorens te claimen dat die niet te verteren is. Ik zou dan als tegenprestatie om een experiment van zijn kant willen verzoeken. Zoals we weten werden de zeventig vertalers van de Septuagint in zeventig verschillende kamers opgesloten met de Hebreeuwse tekst. Toen zij klaar waren met hun vertalingen kwamen zij met zeventig identieke vertalingen. Zou hetzelfde wonder ons geschieden als zeventig econometristen (Keynes sprak van mutliple correlators) zouden worden opgesloten met hetzelfde materiaal?” Het was uiteraard een retorische vraag die in feite Tinbergen’s relaas over ‘wetmatigheden’ ridiculiseerde. Hoe kun je over wetmatigheden spreken als zeventig verschillende econometristen met zeventig verschillende modellen komen aanzetten voor dezelfde gegevens? Het was een dodelijke vraag, maar wie er het eerste dood ging, was Keynes. In 1946, vlak na de oorlog overleed hij. Tinbergen had toen nog bijna vijftig jaar voor de boeg.