donderdag 28 februari 2013

De economie als technische wetenschap

Econoom aan het werk
De klassieke economen vonden het niet zo nodig om te kijken of theoretische stellingen door de economische werkelijkheid bevestigd werden. Als de werkelijkheid niet overeenkwam met de theorie, waren er kennelijk andere krachten aan het werk die in de theorie niet waren meegenomen, maar was de theorie nog steeds correct. Die opvatting veranderde met de opkomst van empirische methoden in de economie. Voor de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse econoom Jan Tinbergen één van de eersten die statistische methoden gebruikte om macro-economische relaties van ‘getallen te voorzien’. De eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog waren economen bezig grote modellen van de economie te ontwikkelen die vol zaten met Keynesiaanse mechanismen, zoals de multiplier-effecten van extra overheidsuitgaven. Door de Keynesiaanse revolutie kreeg de economische wetenschap via de inzet van deze modellen in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog nagenoeg de status van een exacte toegepaste wetenschap, waarbij de economie als machine werd gezien. Hapert de economie? Roep de econoom er bij en hij/zij zal nagaan welk schroefje los zit en het weer vast draaien. Het was wishful thinking, maar als je het positief wil uitleggen was het vooral idealisme. Tinbergen, bijvoorbeeld (oorspronkelijk natuurkundige) die zich de gevolgen van de Grote Depressie aantrok, wilde de wereld verbeteren en dacht dat hij dat zou kunnen door zijn natuurkundige technieken op de economische wetenschap toe te passen. Hij kreeg er in 1969 een Nobelprijs voor, maar zijn werk heeft niet kunnen verhinderen dat er tijdens zijn leven telkens weer nieuwe economische crises de kop opstaken. De economische schroefjes bleven maar los rammelen. Hoezeer je er ook aan draaide.

dinsdag 26 februari 2013

De geboorte van de economische wetenschap

De geboorte vond plaats in 1776 met het verschijnen van het boek The Wealth of Nations geschreven door Adam Smith (1723-1790). Dit was een briljant boek waarin voor het eerst het idee werd geformuleerd dat de ‘vrije markt’ onder sommige omstandigheden tot een optimaal resultaat leidt. Dit idee heeft de economie sindsdien niet meer verlaten. Een latere grootheid als David Ricardo (1772-1823) voegde aan dat idee niet veel toe. Zijn ideeën leidden meer tot uitwerking, alhoewel briljant. In de tijd van Ricardo werd de economie als een wetenschap beschouwd die, uitgaande van ‘ware postulaten’, wetmatigheden afleidde. Die postulaten gingen over gedrag van mensen, bijvoorbeeld dat die zo veel mogelijk inkomen zouden willen hebben. Als je daarvan uitging kon een econoom als Ricardo stellingen afleiden, bijvoorbeeld over wat er met landprijzen zou gebeuren. Die zouden door de groeiende bevolking voortdurend stijgen, omdat land steeds kostbaarder werd. Lonen echter zouden dalen omdat steeds onvruchtbaarder land in gebruik zou moeten worden genomen, zodat de productiviteit van arbeid op het land zou gaan dalen. Dit is wat men een deductieve wetenschapsopvatting noemt: al redenerend kom je tot een bepaalde stelling. Een nadeel van deze methode is dat geen enkel waarneembaar feit ooit een bevestiging, maar ook geen weerlegging van de theorie kan opleveren. De zogenaamde klassieke economen uit de negentiende eeuw zijn heel lang in de theorie over dalende lonen versus stijgende grondprijzen blijven geloven, omdat die ‘logisch juist’ was. Zelfs de werkelijkheid kon er geen speld tussen krijgen, hoewel zoals we nu, tweehonderd jaar later weten, de lonen duizelingwekkend veel hoger zijn geworden dan men in de negentiende eeuw kon vermoeden.

zondag 24 februari 2013

Bas Haring en de niet te strakke broekriem

Hij is filosoof en schrijft een keer per week in De Volkskrant stukjes over de economie als wetenschap. Eergisteren vond hij het mooi dat de Nederlandse overheid probeert de ‘broekriem aan te halen’, maar zoals we zeiden, dat hoeft helemaal niet zo mooi te zijn. Als de overheid het financieringstekort op een constant niveau weet te houden, zeg 1% van het nationaal inkomen, dan zijn er toch geen exploderende schulden en er worden geen lasten naar toekomstige generaties geschoven. Natuurlijk gaat het soms wel fout, kijk naar Griekenland. Hoe kan dat? Ja, eenvoudigweg omdat de overheid kennelijk meer gaat uitgeven of minder belasting ontvangt waardoor het financieringstekort, als percentage van het nationaal inkomen, alsnog gaat toenemen. Als dat eenmaal gebeurt is het hek van de dam en zal de schuld na verloop van tijd gaan exploderen. Het financieringstekort van de overheid hoeft dus niet te dalen, zoals Bas Haring schijnt te denken. Het tekort mag echter zeker ook niet gaan toenemen. Een paar jaar een hoger financieringstekort mag wel, zoals nu tijdens een economische crisis, maar op een gegeven ogenblik mag het financieringstekort niet verder stijgen. Want anders krijgen we Griekse toestanden.

zaterdag 23 februari 2013

Bas Haring en de te strakke broekriem

Hij is filosoof en schrijft een keer per week in De Volkskrant stukjes over de economie als wetenschap. Gisteren vond hij het mooi dat de Nederlandse overheid probeert de ‘broekriem aan te halen’, want we kunnen wel blijven lenen “opdat wij een plezierig leven kunnen leiden met mooie snelwegen, ziekenhuizen en goed onderwijs, maar op een gegeven moment moet het worden terug betaald.” Hij twijfelt dan even of de overheid misschien toch eeuwig kan doorlenen, maar zegt dan toch: “als er moet worden terug betaald, dan moeten toekomstige generaties dat gaan doen.” Jammer dat hij niet weet wanneer er wel en wanneer niet moet worden terug betaald. Het is namelijk heel eenvoudig. Als de overheid het financieringstekort op een constant niveau weet te houden, zeg 1% van het nationaal inkomen, dan zal op een gegeven moment ook de schuld en dus ook de rentelasten constant zijn (als percentage van het nationaal inkomen). Dat is de zogeheten regel van Domar. Als de nominale groei van het nationaal inkomen 2% is, dan zal bij een tekort van 1% de schuld 50% van het nationaal inkomen zijn. Bij een rente van 3% zijn dan de jaarlijkse rentelasten 1½%. Dus, als de overheid altijd een tekort heeft (van 1%), dan zijn er toch geen exploderende schulden en er worden geen lasten naar toekomstige generaties geschoven. Toekomstige generaties betalen dezelfde rentelasten als wij, namelijk in ons voorbeeld 1½%. Bovendien kunnen ze ook nog eens profiteren van onze “mooie snelwegen, ziekenhuizen en goed onderwijs” die we ze allemaal hebben nagelaten.

dinsdag 19 februari 2013

Overheidsbeleid: waar leidt dat toe?

Zullen rationele verwachtingen van gezinnen er toe leiden dat overheidsbeleid geen effect heeft? Dat dacht econoom Robert Lucas die voor die gedachte een Nobelprijs kreeg. Of het echt waar is wat Lucas dacht, weten we eigenlijk niet. In een simpel modelletje is het effect van G wel te bepalen, maar in de werkelijkheid niet. Stel dat de overheid een extra ambtenaar aanstelt. Deze nieuwe ambtenaar was eerst werkloos (stel) en dus is er direct een positief effect. Die nieuwe ambtenaar krijgt een hoger inkomen en gaat dan meer besteden, bijvoorbeeld hij eet nu drie keer in plaats van twee keer per week buitenshuis. Restaurants zien hun omzet stijgen, en huren ook extra personeel in. Het inkomen in de economie gaat toenemen. Dit is het Keynesiaanse verhaal. Stel nu dat de buurman van de nieuwe ambtenaar ziet dat de overheid extra geld uittrekt om zijn buurman in dienst te nemen. De buurman gaat hierdoor juist minder vaak uit eten en misschien doen meer buren dat. Zij vrezen een belastingverhoging op termijn en gaan daarom minder geld uitgeven; zij gaan meer sparen. Dat is het Lucas-verhaal. Meer sparen hoeft niet erg te zijn: spaargeld komt bij banken terecht en die kunnen dat dan op hun beurt weer uitlenen, bijvoorbeeld aan investeerders. Of aan mensen die een hypotheek willen. Hebben al veel mensen een hypotheek? Ja, maar alleen de armen niet? Dan krijgen die nu ook een hypotheek, want de banken zwemmen in het geld nu veel mensen meer zijn gaan sparen. Maar als de armen massaal een hypotheek krijgen, kan dat leiden tot een kredietcrisis. Dat zagen we in de VS. Overheidsbeleid kan dus een positief, geen, een negatief effect hebben, of tot een kredietcrisis leiden.

zaterdag 16 februari 2013

Bas Haring blij met vrije markt voor kip

Hij is filosoof en schrijft een keer per week in De Volkskrant stukjes over economie. Ik volg hem geregeld op mijn ‘mensenblog’, maar omdat ik nu ook een economieblog heb, heb ik hem gepromoveerd tot econoom. Gisteren was hij blij dat er een vrije markt voor kip is. Daardoor krijgt hij precies het stukje kip dat hij wil voor de prijs die hij ervoor over heeft en dat zonder dat iemand dat schijnt te regisseren. Dat is natuurlijk een verwijzing naar het beroemde citaat van de aartsvader van de economie Adam Smith (1723-1790) over de onzichtbare hand die er voor zorgt dat er een resultaat tot stand komt (namelijk maximale welvaart voor iedereen) dat toch niemand op het oog had. Ik hoop niet dat de kip van Haring een ‘plofkip’ was. Ik wil namelijk eigenlijk alleen vlees van scharrelkippen, maar dat is me te duur. Als iedereen scharrelkippenvlees zou kopen zou de prijs ervan veel lager zijn en komt dit vlees binnen mijn mogelijkheden te liggen. Plofkippen zouden dan vanzelf duurder en minder belangrijk worden of misschien zelfs verdwijnen. Ik heb het vermoeden dat de meeste mensen liever scharrelkippen zien dan plofkippen. Toch blijven er maar plofkippen liggen in de koeling van mijn supermarkt en haast geen scharrelkippen. Blijkbaar werkt de vrije markt wel voor plofkip, maar niet zo goed voor scharrelkip. Ik ben voor een ploftax op kip, zodat er geen 'vrije markt' voor  plofkip meer is.

woensdag 13 februari 2013

De ineenstorting van de huizenmarkt was te voorspellen. II

Ik, Harrie Verbon, schreef in 2000 in het economenblaadje ESB dat de huizenmarkt zou moeten inzakken in verband met de demografische ontwikkeling in de Westerse wereld. Wat ik wist hadden de topbankiers van SNS ook kunnen weten: de top van de markt was in zicht. Niet noodzakelijk precies in 2006 natuurlijk. De zeepbel had ook nog een paar jaar door kunnen groeien, maar zelfs zonder kredietcrisis moest de reële prijsstijging van huizen eens ophouden. Dit simpele inzicht ontging Sjoerd van Keulen en andere bankiers van SNS. Maar goed, ik ben maar ik, maar er waren ook anderen die waarschuwden dat de prijsstijging op de huizenmarkt een zeepbel was. De Amerikaanse econoom Robert Shiller, bijvoorbeeld, werkzaam aan de topuniversiteit Yale, heeft zich veel met zeepbellen op de huizenmarkt bezig gehouden. Er is sprake van een zeepbel als mensen grote prijsstijgingen van huizen verwachten, waardoor zij een huis dat zij onder ‘normale’ omstandigheden te duur zouden vinden toch kopen. Ze verwachten immers door een toekomstige waardestijging van huizen gecompenseerd te worden. Starters op de woningmarkt voelen door dezelfde ontwikkeling dat zij snel moeten zijn met het kopen van een huis, omdat ze zich misschien geen eigen huis meer kunnen veroorloven als ze lang wachten met de aankoop: hoe later je koopt, des te duurder immers het huis zal zijn. De huizenzeepbel wordt dus in stand gehouden zolang mensen blijven verwachten dat de aankoopprijzen blijven stijgen. In 2004 onderzochten Robert Shiller en Karl Case de verwachtingen van mensen in de VS over de ontwikkelingen van de huizenprijzen. Inderdaad, de verwachtingen van mensen duidden er op dat er sprake was van een zeepbel. Zo dachten huiseigenaren in steden als San Francisco en Los Angeles dat de waarde van hun huizen in tien jaar tijd zou verviervoudigen. Shiller en Case concluderen dat huiseigenaren in een zeepbel leefden zonder dat ze het zelf door hadden. Dit was de VS, maar het was in Nederland ongetwijfeld niet veel anders. Sjoerd van Keulen (voormalig bankier bij SNS) zat ook in zo’n zeepbel. Die midden in het gezicht van zijn opvolger uiteenspatte. 

maandag 11 februari 2013

De ineenstorting van de huizenmarkt was te voorspellen. I

In 2000 schreven twee economen een stukje voor het Nederlandse economenblad  ESB waarin ze beweerden dat als je de ‘financiële benadering’ gebruikte het helder was dat de pensioenfondsen vermogensoverschotten hadden. Zij schatten die op ongeveer 80 miljard euro. Veel economen dachten toen dat de bomen definitief de hemel in zouden groeien. Ik hoorde daar niet bij. Misschien daarom vroeg de redactie van ESB mij om te reageren op die twee economen. Dat deed ik graag, want domheid is makkelijk te bestrijden. Ik beweerde dat de heren zich rijk rekenden door de trends van de afgelopen jaren door te trekken, terwijl een trendbreuk op de financiële markten niet onwaarschijnlijk is. Beter dan toen kan ik het nu eigenlijk niet zeggen. Ik schreef: “Kijk bijvoorbeeld eens naar huizen en aandelen, activa waar de pensioenfondsen flink in hebben belegd de afgelopen decennia. De rendementen daarop zijn in de afgelopen tien jaar torenhoog geweest. Huizenprijzen en aandelenkoersen kunnen uiteraard gebaseerd zijn op de 'echte' waarde van huizen of bedrijven, maar kunnen ook berusten op ongegronde verwachtingen. Als prijzen stijgen en iedereen verwacht dat dat wel door zal gaan, blijven de prijzen stijgen. Totdat de 'zeepbel' echter zo groot is dat die knapt. Bij huizen is dat direct evident. Hoewel in ons land de grond schaars is, en de welvaartsstijging leidt tot een vraag naar grotere en mooiere huizen, is een deel van de spanning op de huizenmarkt te verklaren door demografie. Als de geboortengolf met pensioen begint te gaan, zal een groot deel daarvan hun (grote) huis willen verlaten en dat willen verruilen voor een kleiner optrekje of direct maar voor een plaatsje in een verzorgingsflat. Omdat de cohorten die na de geboortengolf komen kleiner zijn is leegstand van de verlaten huizen niet denkbeeldig. Gevolg: de huizenmarkt stort in. Weg zeepbel.” Veel Nederlandse economen dachten hier niet aan in de booming days van 2000, maar toch was ik zeker niet de eerste die zo iets beweerde. Des te vreemder dat zes jaar later de leiding van de SNS-bank meeging in de psychose van de huizenmarkt.

zondag 10 februari 2013

Sommige bankiers kunnen (niet) voorspellen, II

We herinneren ons dat bankier Nathan Rothschilds  (1777 – 1836) op het juiste moment goud verkocht en Britse overheidsobligaties kocht (juli 1815) en op het juiste moment (november 1817) die obligaties weer verkocht. Rothschilds had gekocht op het dieptepunt en verkocht op het hoogtepunt van de markt. Vergelijk dat eens met de Nederlandse bankiers van de laatste tijd. Het lijkt er op dat zij hun ‘strategische’ aankopen precies op het verkeerde moment doen. Neem het geval van de SNS bank en de aankoop van het vastgoedfonds Property Finance in 2006. Het plaatje hiernaast geeft de ontwikkeling van de huizenprijsindex, gecorrigeerd voor inflatie, in een aantal landen. Het beeld is overal hetzelfde: Na twee decennia continue stijging van de huizenprijzen barst in 2006 de zeepbel van de huizenmarkt en beginnen de prijzen aan een glijvlucht naar beneden. In Nederland niet zo dramatisch als in de VS, maar toch ook onmiskenbaar. Dit is achteraf praten, uiteraard, er waren genoeg economen in Nederland die in 2006 en 2007 zeiden dat het met de huizenmarkt in Nederland wel goed zat, nadat in de VS (zie grafiek) die markt min of meer letterlijk in elkaar stortte. Maar er waren ook onheilsprofeten die zeiden dat het niet goed zou komen. Ik was er zelf één van. Hoe ik en anderen dat wisten? Denk er even over na, we komen er op terug.

zaterdag 9 februari 2013

Ik ga economie studeren (1969)

Toen ik in 1969 economie ging studeren aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam was ik vol goede moed: ik ging de wereld verbeteren. Dat kon want dankzij de wereldberoemde econoom Keynes wisten we hoe we de economie in een toestand van full employment .konden brengen. De overheid had de instrumenten om bij onderbesteding de bestedingen te stimuleren en bij overbesteding de bestedingen af te remmen. Het zat allemaal in die eenvoudige modelletjes die we al op de middelbare school hadden geleerd. Werkloosheid? Hups, overheidsuitgaven, in alle leerboeken aangeduid met G, omhoog en de werkloosheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Er zou nooit meer een Grote Depressie zijn.
            De VU was toen bezig zijn gereformeerde veren af te scheuren, maar mijn docenten waren toen toch niet erg bij de tijd. Zij wisten niet dat er toen (1969) al economen waren die aan deze maakbaarheid van de economie twijfelden. Deze economen geloofden niet dat de economie een mechaniekje was waarbij je alleen maar aan een paar knoppen hoeft te draaien om iedereen aan een baan te helpen. Deze economen zeiden dat als de overheid meer gaat uitgeven om de economie te stimuleren gezinnen inzien dat die extra uitgaven van de overheid later weer terug betaald moeten worden in de vorm van hogere belastingen. Gezinnen hebben ‘rationele verwachtingen’ over de effecten van hogere overheidsuitgaven. Dus: mensen gaan niet meer uitgeven, maar ze gaan juist meer sparen om die hogere belastingen later te kunnen betalen. Weg positief effect van G op U (werkloosheid). Het effect van overheidsingrijpen blijkt nul te zijn. Volgens deze economen dan.

vrijdag 8 februari 2013

Sommige bankiers zien zelfs het heden troebel

Die kant op?
Banken mogen best groeien, concludeerden we gisteren, want dat is goed voor de economie. Dat het ook nog goed is voor de bankiers is bijzaak. Tegenwoordig willen banken vooral groeien door andere banken of fondsen op te kopen. Zie daarvoor de ABN/AMRO en de SNS-bank voor ze genationaliseerd werden. Dan moet je natuurlijk wel een beetje weten wat de toekomstverwachtingen voor die overnamepartij zijn. De top van de ABN/AMRO bleek daar meestal geen idee van te hebben, zo blijkt uit De Prooi, het boek van Jeroen Smit over de ondergang van ABN/AMRO. Rijkman Groenink, de laatste topman voor de nationalisering van ABN/AMRO, wordt vaak als een zakkenvuller gezien, maar uit het boek komt hij meer naar voren als iemand die niet weet welke kant hij op wil. Over de waarde van over te nemen banken tast ABN/AMRO in het duister. Iedere overname kan een kat in de zak blijken. Maar misschien nog vreemder is dat de bank niet eens goed blijkt te weten hoe de eigen rentabiliteit is. Door het hele boek van Jeroen Smit heen wordt er gesproken over deskundigen die nu eens op een rijtje gaan zetten, hoe de kosten/batenverhouding ligt bij diverse onderdelen van de bank. Het lijkt maar niet te lukken daar een duidelijk beeld van te krijgen. Uit de geschiedenis van het teloor gaan van de ABN/AMRO bank blijkt dus dat ze hun eigen heden niet eens goed kennen. Laat staan dat ze in de toekomst kunnen kijken. Dat blijken ze verbazend slecht te kunnen. Daarover later nog veel meer.

donderdag 7 februari 2013

Sommige bankiers kunnen (niet) voorspellen, I

Banken zijn er om er voor te zorgen dat geld dat iemand (bijvoorbeeld een spaarder) over heeft wordt getransporteerd naar iemand die het geld nodig heeft (bijvoorbeeld een investeerder). Die banken moeten ‘safe’ zijn, want spaarders moeten zeker weten dat ze hun geld terugkrijgen. Banken willen echter ook groeien, dat wil zeggen meer kapitaal tot hun beschikking krijgen zodat ze nog meer kunnen uitlenen en nog meer verdienen. Niks mis mee. Investeren is de bron van economische groei, dus hoe meer kapitaal de banken hebben des te meer er geïnvesteerd kan worden. Dat is goed voor de economie, maar zeker ook voor de bankiers. Dat had de roemruchte bankier Nathan Rothschilds  (1777 – 1836) goed begrepen. Hij had in de zomer van 1815 heel veel goud over dat naar hij vreesde in waarde zou gaan dalen (waarom is een ingewikkeld verhaal, lees daarover The ascent of money, blz. 79-92 van Niall Ferguson waarop ik mij baseer). Dus hij kocht voor dat goud massaal Engelse overheidsobligaties. Die stonden op dat moment heel laag, want het VK had net een dure oorlog tegen Napoleon achter de rug en het was maar zeer de vraag of de regering die leningen voor de oorlog zou kunnen terug betalen. Rothschilds dacht van wel: de Engelsen hadden de slag bij Waterloo gewonnen en als je de oorlog wint, kom je er wel weer bovenop. Hij had gelijk, al duurde het even: in november 1817 kon hij zijn obligaties weer verkopen tegen een koers die 40% hoger was dan de aankoopkoers. Met de winst kon hij een van de machtigste banken opbouwen, een bank die nog steeds bestaat. De les? Simpel. Koop als de markt laag staat, verkoop als de markt hoog staat. Ieder bankier zou dat moeten weten, maar de SNS-bankiers wisten het niet. Daarover later meer.

woensdag 6 februari 2013

Economen kunnen niet voorspellen (en bankiers ook niet)

Ik ga het op dit blog over economie en economen hebben. Ik wil het er zeker over hebben wat je met de economie (als wetenschap) kunt, maar vooral wil ik het er over hebben wat je met de economische wetenschap niet kunt. Voorspellen bijvoorbeeld. In Nederland wordt er heel veel waarde gehecht aan economische voorspellingen door het Centraal Plan Bureau (de naam alleen al). Ieder jaar presenteert het CPB de macroeconomische verkenningen en het centraal economisch plan (alweer een plan). Om de vier jaar doet het CPB zelfs voorspellingen aan de hand van de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen. Politici en economen smullen ervan en denken dat ze eruit kunnen afleiden wat de economische effecten van politieke programma’s zijn. Helaas voor hen: het is nergens op gebaseerd, want de economie is meestal niet te voorspellen. Maar naast economen kunnen ook bankiers niet voorspellen. Of bankiers economen zijn, weet ik niet. Ronald Latenstein (ex-CEO van SNS) wilde eigenlijk kok worden en deed pas een aantal economische opleidingen toen hij al bij een crediteurenadministratie van een oliemaatschappij werkte. Hij was dus zeker geen econoom uit roeping (zoals schrijver dezes), maar eerder een econoom uit noodzaak. Laten we morgen eens bezien waaruit blijkt dat de bankers van SNS niet konden voorspellen.