donderdag 7 februari 2013

Sommige bankiers kunnen (niet) voorspellen, I

Banken zijn er om er voor te zorgen dat geld dat iemand (bijvoorbeeld een spaarder) over heeft wordt getransporteerd naar iemand die het geld nodig heeft (bijvoorbeeld een investeerder). Die banken moeten ‘safe’ zijn, want spaarders moeten zeker weten dat ze hun geld terugkrijgen. Banken willen echter ook groeien, dat wil zeggen meer kapitaal tot hun beschikking krijgen zodat ze nog meer kunnen uitlenen en nog meer verdienen. Niks mis mee. Investeren is de bron van economische groei, dus hoe meer kapitaal de banken hebben des te meer er ge├»nvesteerd kan worden. Dat is goed voor de economie, maar zeker ook voor de bankiers. Dat had de roemruchte bankier Nathan Rothschilds  (1777 – 1836) goed begrepen. Hij had in de zomer van 1815 heel veel goud over dat naar hij vreesde in waarde zou gaan dalen (waarom is een ingewikkeld verhaal, lees daarover The ascent of money, blz. 79-92 van Niall Ferguson waarop ik mij baseer). Dus hij kocht voor dat goud massaal Engelse overheidsobligaties. Die stonden op dat moment heel laag, want het VK had net een dure oorlog tegen Napoleon achter de rug en het was maar zeer de vraag of de regering die leningen voor de oorlog zou kunnen terug betalen. Rothschilds dacht van wel: de Engelsen hadden de slag bij Waterloo gewonnen en als je de oorlog wint, kom je er wel weer bovenop. Hij had gelijk, al duurde het even: in november 1817 kon hij zijn obligaties weer verkopen tegen een koers die 40% hoger was dan de aankoopkoers. Met de winst kon hij een van de machtigste banken opbouwen, een bank die nog steeds bestaat. De les? Simpel. Koop als de markt laag staat, verkoop als de markt hoog staat. Ieder bankier zou dat moeten weten, maar de SNS-bankiers wisten het niet. Daarover later meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen