zaterdag 30 maart 2013

Sir Karl Popper leed niet aan confirmation bias.en klassieke economen ook niet

Begin jaren 70 tijdens mijn studietijd las ik Karl Popper. Ik was onder de indruk van veel van zijn denkbeelden. Bijvoorbeeld dat de geschiedenis niet volgens wetmatige processen kan verlopen. Als het wel zo zou zijn, kunnen we het toch niet weten, want iedere gebeurtenis is weer uniek. Er is geen manier waarop een historische wetmatigheid getoetst zou kunnen worden. Deze opvatting over de geschiedenis door Popper hangt natuurlijk samen met zijn beroemde falsificatieprincipe. Een wetenschappelijke hypothese is niet sterk als hij bevestigd is, maar als hij nog niet verworpen is. Iedere hypothese kun je bevestigen als je de juiste waarnemingen verzamelt. Daarom moet je proberen een hypothese zo op te stellen dat de kans dat die verworpen wordt zo groot mogelijk is. Als die verwerping dan toch niet plaats vindt, is de hypothese nog steeds geldig. Totdat die alsnog verworpen wordt, natuurlijk. Een hypothese kan makkelijker gefalsifieerd worden naarmate de hypothese preciezer is omschreven en algemener van toepassing is. Een hypothese die alleen maar op een bepaalde plaats en/of voor een bepaalde tijd geldig kan zijn, is minder makkelijk te falsifiëren dan een hypothese die altijd en overal geldig is. Kijken we nog eens naar de klassieke economen. Zij formuleerden wel algemeen klinkende stellingen (de lonen gaan dalen en de grondprijzen stijgen), maar zeiden er direct bij dat die stellingen gewoon de waarheid weergaven. De werkelijkheid is misschien anders, maar dat komt omdat in de theorie niet alle randvoorwaarden kunnen worden beschreven. De klassieken leden dus ook niet aan de confirmation bias. Als de theorie zonder meer waar is, hoef je die niet te bevestigen en al helemaal niet te falsifiëren.

donderdag 28 maart 2013

Hoe economen hypothesen toetsen, II

Keren we terug naar de econoom die wil weten groot het effect is van individuele capaciteit op loon. Stel nu dat uit de eerste schattingen komt dat dit effect nul is. Wat dan? Dan zou er reden tot verslagenheid kunnen zijn. Je kunt namelijk geen artikel schrijven met als boodschap dat een belangrijke theoretische variabele geen effect heeft. Gelukkig, maar misschien jammer, is de theorie niet specifiek genoeg om te zeggen hoe de relatie tussen variabelen er precies uitziet. Die relatie kan lineair zijn, kwadratisch, loglineair, te veel om op te noemen. Daarnaast kunnen misschien belangrijke variabelen over het hoofd gezien zijn, bijvoorbeeld of er een strenge winter was in de periode waarover de gegevens zijn verzameld, of wellicht was er net een staking. De schattingsmethode die gebruikt is was misschien toch niet de goede en moet er een meer verfijnde (of juist een grovere) methode gebruikt worden. Kortom, er staan nog veel mogelijkheden open om de relatie tussen loon en individuele capaciteit te schatten. Het is met de snelle rekenmethoden van tegenwoordig niet zo moeilijk om eens wat alternatieven uit te proberen. In een dag of twee, drie kun je toch wel een paar honderd alternatieve specificaties geprobeerd hebben, en het zou dan wel heel toevallig zijn als in al die schattingen dan niet het diamantje zit dat je aan het zoeken was. Het diamantje dat aangeeft dat individuele capaciteiten inderdaad bepalend zijn voor het individuele loon van een werknemer. Of is dit een typisch voorbeeld van een ‘bloeddiamant’, dat wil zeggen een diamant die met oneigenlijke middelen is verkregen? Eigenlijk wel: dit is een voorbeeld van een resultaat dat eerder geconstrueerd is dan dat het resultaat aangegeven is door de data. De econoom of econometrist die deze diamant uit zijn resultaten heeft gevist, lijdt aan confirmation bias. Helaas, een veel voorkomende en misschien wel onvermijdelijke ziekte onder empirische economen.

dinsdag 26 maart 2013

Mijn eerste empirische onderzoek (1976-1978)

We weten nu hoe economen hypothesen toetsen. Zelf deed ik mijn eerste onderzoek vlak na mijn afstuderen in 1976 als econometrist. Ik had een baan als tijdelijk wetenschappelijk medewerker gekregen bij de VU en het idee was dat ik een proefschrift zou schrijven. Het onderzoek dat ik wilde doen was geïnspireerd door wie anders dan Jan Tinbergen. Tinbergen beweerde dat door de toename van het opleidingsniveau van de bevolking de inkomensongelijkheid in de maatschappij zou afnemen. Het is een misvatting, zo weet ik nu, maar toen wist ik dat nog niet. Ik wilde de hypothese van Tinbergen toetsen door de ontwikkeling van loonverhouding van werknemers in de Nederlandse industrie te relateren aan hun relatieve aantal. Als het aantal beter opgeleide werknemers meer zou toenemen dan het aantal minder goed opgeleide werknemers, dan zou het loon van de laatste groep meer moeten stijgen dan dat van de eerste groep: the Tinbergen hypothesis confirmed. De data die ik gebruikte kwamen van het CBS, uit de zogeheten loonstructuuronderzoeken. Toendertijd moest je nog daadwerkelijk naar het CBS toe om gegevens over te schrijven of te kopiëren. Dus dat deed ik en toen kon ik aan de slag. Ik had een regressiemodel (een cross-sectie van tijdreeksen voor de liefhebbers) een hypothese, een computer, data. Wat kon er fout gaan? Veel! Mijn grootste probleem was dat er of niets uitkwam, of het verkeerde resultaat (inkomensongelijkheid nam toe). Ik probeerde van alles om uit te vinden waar de fout zat, maar na twee jaar zoeken kwam ik tot de ontdekking dat ik weer op hetzelfde punt was aanbeland als bij het begin van mijn onderzoek.

zondag 24 maart 2013

Hoe economen hypothesen toetsen, I

Stel, een econoom wil onderzoek doen naar het loon van individuen. De econoom wil weten waar dat loon door bepaald wordt en hij (maar het kan natuurlijk ook een zij zijn) zal daar een hypothese over willen opstellen die hij dan met behulp van data wil toetsen. Bij het opstellen van een hypothese kan de economische theorie behulpzaam zijn. De theorie zegt bijvoorbeeld dat het loon bepaald wordt door de zogenaamde marginale productiviteit van het individu. Dat wil zeggen wat een individu toevoegt aan het product van een onderneming is zijn loon. De productiviteit van een individu wordt natuurlijk bepaald door zijn intellectuele en fysieke capaciteiten (cap), en daar hebben we dan een belangrijke variabele die zijn loon zal bepalen, namelijk cap. De variabele cap is helaas niet rechtstreeks te meten. Dus moeten er benaderingen gezocht worden zoals opleiding en ervaring die ook enig idee geven over individuele capaciteiten. Die benaderingen zijn onvolmaakt, maar economen (of eigenlijk econometristen) zijn heel ingenieus geweest in het bedenken van trucjes om de fouten die je maakt door een benadering te nemen zo klein mogelijk te maken. Uiteindelijk heeft de econoom dan een vergelijking opgesteld waarmee hij kan nagaan of individuele capaciteiten inderdaad bepalend zijn voor het loon. Hij verzamelt gegevens over variabelen die in zijn vergelijking staan en relateert die variabelen aan elkaar door middel van een statistische techniek. Meestal is dat de methode van kleinste kwadraten, maar er kunnen ook vele andere technieken gebruikt worden, afhankelijk van de soort data die worden gebruikt. Hoe dan ook, de data zijn verzameld, de hypothese is geformuleerd en de schattingstechniek is gekozen. Alles kan nu de computer in, even de statistiek er overheen en daar is het eerste ‘schattingsresultaat’.

vrijdag 22 maart 2013

Dient het CPB dan wel ergens voor?

Hoeft niet weg
Na al deze negatieve berichten over het CPB, is dan natuurlijk de vraag: waarom heffen we het niet op? Maar dit is toch te snel, het werk van het CPB dat we in de vorige blogs gezien hebben, is het werk waarmee het CPB vooral zichzelf geen dienst bewijst. Voorspellingen over een hele lange termijn waarbij beleidsbeslissingen worden ‘doorgerekend’, leiden tot resultaten die iedereen met een beetje gezond verstand kan aanvechten. Het moet vanzelfsprekend zijn dat het onmogelijk is te voorspellen wat de gevolgen over 20 jaar zullen zijn van welke maatregel dan ook. Economie is niet de wetenschap van voorspellingen, maar een wetenschap die de afruil in keuzegedrag zichtbaar maakt: als je één ding doet moet je het andere laten. Beleidsmakers willen dat nog wel eens vergeten. Het CPB vergeet dat niet en hierin zit dan onder meer een van de sterke punten van het CPB. Een voorbeeldje. Een aantal jaren geleden stelde de Deltacommissie onder leiding van Cees Veerman voor om het peil van het IJsselmeer te verhogen met anderhalve meter om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Het IJsselmeer moet een grotere buffer worden voor de zoetwatervoorziening in Nederland, maar verhoging van het waterpeil heeft enorme gevolgen voor de omringende dijken, dorpen en wegen. Je kunt ook iets anders doen, namelijk andere plekken als zoetwaterbuffer laten fungeren en overtollig water afvoeren via extra pompen op de Afsluitdijk. Dit is goedkoper, zo heeft het CPB uitgerekend dan het plan van de commissie Veerman. Een ander voorbeeldje. Je kunt medisch specialisten een vast inkomen geven, zoals heel veel Nederlanders dat krijgen. Specialisten zelf zijn daar heel vaak tegen omdat dan hun motivatie om meer dan 40 uur te werken (en zo de wachtlijsten weg te werken) afneemt: zij hebben liever ‘stukloon’, betaling per behandeling. Hier is dus een afruil, maar vorig jaar heeft het CPB laten zien dat er nog een andere afruil is. Als specialisten volgens het stukloon betaald worden, zullen zij bij een zelfde ziektebeeld van een patiënt meer verrichtingen uitvoeren dan als ze een vast salaris krijgen. Of de specialisten met een vast salaris doen te weing, of de specialisten met stukloon doen te veel. Dat laatste weet het CPB nog niet, maar wij hebben wel een vermoeden. Het CPB dient heus wel ergens voor.

dinsdag 19 maart 2013

Eigenlijk bepaalt het CPB ook de politieke programma’s

In Nederland worden dus de programma’s van politieke partijen door het CPB ‘doorgerekend’. De lijsttrekkers geloven kennelijk in de CPB-modellen, want er is nog geen politicus die het model dat gebruikt wordt bij de doorrekening aan de orde heeft gesteld. Het CPB kan dit bovendien allemaal doen zonder ooit de kritiek te krijgen dat de ‘voorspellingen’ niet kloppen. Niemand is, zeg vier jaar later, er in geïnteresseerd of de voorspelde effecten werkelijk zijn opgetreden. Nog belangrijker is dat het ook onmogelijk is om de effecten van de beleidsvoorstellen die uit de doorrekeningen volgen, later te vergelijken met de feitelijke effecten. De beleidsvoorstellen die in de politieke programma’s stonden worden namelijk nooit ingevoerd. Zelfs als een politieke partij in het kabinet mag aansluiten, zijn er altijd amendementen op de beleidsvoorstellen, want er moeten compromissen met andere coalitiepartners gemaakt worden. Sommige voorstellen worden zelfs helemaal niet ingevoerd. Kortom, zelfs als het CPB-model dat gebruikt wordt bij de doorrekening helemaal ‘waar’ zou zijn (en dat ligt al niet voor de hand), kan de doorrekening nooit met de werkelijkheid worden vergeleken. Politieke partijen echter beginnen langzamerhand door te krijgen welke maatregelen het ‘goed doen’ in het CPB model en omdat zij graag een mooi rapportcijfer van het CPB willen krijgen, gaan ze juist het soort maatregelen voorstellen dat het goed in de CPB-modellen. Verkiezingsprogramma’s worden zo steeds meer een afspiegeling van het model dat het CPB gebruikt bij de doorrekening van de programma’s. Als je het zo bekijkt, bepaalt het CPB dus de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen in Nederland.

zaterdag 16 maart 2013

Het CPB rekent politieke programma’s door

Er is een unieke traditie in Nederland, namelijk dat de programma’s van politieke partijen door het CPB worden ‘door-gerekend’. Het CPB berekent met behulp van een model wat de effecten van de beleidsvoorstellen zijn op de werkgelegenheid, de overheidsfinanciën, de inflatie, enzovoorts. Deze doorrekeningen hebben grote invloed op verkiezingscampagnes en misschien zelfs wel op de verkiezingsuitslag. Tijdens verkiezingsdebatten citeren lijsttrekkers hun mooie cijfers uit de CPB-doorrekening zonder dat in direct verband te brengen met de maatregelen uit hun verkiezingsprogramma en, natuurlijk, zonder de slechte rapportcijfers te vermelden. Ook de economische effecten, die het CPB veronderstelt bij zijn doorrekeningen en die tot de gunstige effecten hebben geleid laten de politici onbesproken. Zo is altijd een kenmerk van de modellen van het CPB geweest dat loonmatiging, belastingverlaging en verlaging van de sociale uitkeringen goed is voor de werkgelegenheid. Dat is een CPB-geloof, maar er is weinig bewijs voor, misschien zelfs eerder voor het tegendeel, namelijk dat hogere lonen tot betere werknemers leiden. In 1998 was ik zelf nauw betrokken bij het opstellen van een verkiezingsprogramma. In het programma van ‘mijn’ partij zat weinig belastingverlaging omdat wij vonden dat er gespaard moest worden voor de toekomst. Het gevolg was dat wij slechte rapportcijfers kregen van het CPB. Andere partijen hadden veel belastingverlaging, kregen goede rapportcijfers van het CPB, kwamen in de regering, voerden belastingverlagingen door en de Nederlandse economie raakte oververhit doordat er geen loonmatiging kwam.

donderdag 14 maart 2013

En als het CPB het mis heeft over de AOW-leeftijd?

Het CPB had berekend dat door een verhoging van de AOW-leeftijd meer ouderen zouden werken. Die extra ouderen zouden aan de slag komen doordat de markt zijn werk zou doen. Lonen voor ouderen gaan dalen en werkgevers zouden hen in dienst nemen of houden. Maar hoe wist het CPB dat zo zeker? Waarom zouden werkgevers die ouderen in dienst nemen of houden? Werkgevers beschouwen ouderen vaak als een verliespost in hun bedrijf. Als de AOW-leeftijd wordt verhoogd, wordt die verliespost hoger en werkgevers kunnen er dan voor kiezen ouderen eerder te ontslaan, zelfs als hun loon daalt. Dat geldt nu (2013), maar misschien ook in 2030. De overheid krijgt dan niet 2 miljard euro extra aan belastingen zoals het CPB berekende. Integendeel: de werkloosheid onder ouderen zal toenemen. In plaats van 2 miljard euro plus ontstaat er dan 1 miljard euro min. Als (jongere) werknemers via hun vakbonden dan ook nog een aanvulling wensen op de verloren gegane pensioenen, zullen pensioenpremies moeten stijgen waardoor de overheid nog minder inkomstenbelasting binnen haalt. Door al deze ‘nieuwe’ minnen op te tellen kwam ik er op uit dat de overheid twee miljard euro duurder uit zou komen in 2030 door een hogere AOW-leeftijd. Mijn berekening werd niet serieus genomen. Natuurlijk niet, ik ben een orakel zonder model en het CPB is een orakel met diverse modellen die allemaal serieus genomen worden door de politiek. De berekeningen van het CPB werden als zoete koek geslikt door het merendeel van de politici en dus werd de AOW-leeftijd verhoogd. Niet pas in 2030 zoals eerst de bedoeling was, maar nu al. Is er een positief effect? Voorlopig is de werkloosheid onder ouderen flink aan het toenemen.

dinsdag 12 maart 2013

Hoe weet het CPB dat het goed is de AOW-leeftijd te verhogen?

Het CPB berekende in 2009 het effect van een verhoging van de AOW-leeftijd met 2 jaar en kwam uit op een besparing van 4 miljard in 2030 voor de overheid, zo hebben we gezien. Hoe kwam het CPB aan die wijsheid? Door een model, dat eigenlijk een soort glazen bol is. Wat redelijk zeker is als de AOW-leeftijd verhoogd wordt van 65 naar 67 jaar, is dat in 2030 aan 66 en 67-jarigen geen AOW meer uitgekeerd hoeft te worden. Dat bespaart 4 miljard euro. Was dat dan alles? Nee, want er kunnen daarnaast nog veel meer minnen en plussen optreden. Het CPB zag voor 3 miljard minnen en voor 3 miljard plussen. Wat de plussen betreft, nam het CPB bijvoorbeeld aan dat als de AOW-leeftijd verhoogd zou worden, oudere werknemers hun pensioneringsdatum mee zouden laten schuiven met de wettelijk vastgestelde AOW-leeftijd. Er zouden dus meer ouderen willen werken. Volgens de berekeningen van het CPB leidde een hogere AOW-leeftijd ertoe dat 70.000 personen van 55 jaar of ouder zich extra op de arbeidsmarkt zouden melden. Dit zou tot een extra belastingopbrengst van twee miljard euro leiden. Het CPB ging er dus vanuit dat de extra ouderen die zich op de arbeidsmarkt aanbieden, ook aan een baan zouden komen. De markt zou daar voor zorgen, zo nam het CPB aan. Zorgt de markt daar echt voor?

maandag 11 maart 2013

Het CPB bepaalde de AOW-leeftijd

Het Centraal PlanBureau (CPB)  is een uitvinding van Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen. Vanaf het begin in 1945 hield het bureau zich bezig met het construeren van macroeconomische modellen. Dat gebeurt nog steeds. Met die modellen worden effecten van beleid door gerekend. Op mijn colleges bespreek ik soms de pennevruchten van het CPB. Ik vertel er mijn studenten wel direct bij dat de CPB-resultaten niet al te letterlijk moeten worden genomen. De geschriften van het CPB zijn wat dat betreft te vergelijken met de teksten van de bijbel of de koran. De ellende begint zodra die letterlijk voor waarheid worden aangenomen. Politici doen dat graag als het hun zo uitkomt. Neem de discussie over de AOW-leeftijd. Een paar jaar geleden vond een groot deel van de politiek dat die AOW-leeftijd naar 67 jaar moest. Het toenmalige kabinet liet het CPB berekenen wat de effecten zouden zijn en ziet: het CPB-orakel rekende uit dat in 2035 de opbrengst 4 miljard euro zou zijn. Het was een volstrekt willekeurige uitkomst. Het is niet zo moeilijk om met andere aannames andere uitkomsten te krijgen. Maar in de politiek werd die 4 miljard als een soort heilig getal beschouwd. Iedereen die het niet eens was met een verhoging van de AOW-leeftijd en met een alternatief wilde komen, moest aantonen dat dit alternatief ook minstens 4 miljard euro zou opleveren. Maar, helaas, in Nederland heeft het CPB een monopolie op de glazen bol van de toekomstvoorspelling. Dus ieder alternatief zou eerst door die glazen bol van het CPB moeten en dan ook geen 4 miljard euro opleveren. Tenzij je natuurlijk voorstelde dat de verhoging van de AOW-leeftijd naar 69 jaar zou moeten zoals mijn collega Lans Bovenberg eens deed. Dan is de opbrengst navenant hoger.

donderdag 7 maart 2013

De voorspellingen van economen

De economische wetenschap is maar een zeer beperkte wetenschap. Er is door generaties theoretici een enorm ingewikkeld theoretisch bouwwerk opgezet dat wij docenten aan diverse jonge generaties economen doorgeven zonder erbij te zeggen dat je niet moet denken dat je er mee kunt voorspellen. Voorspellen met economische modellen is een activiteit die niets anders weergeeft dan het model waarmee voorspeld wordt. Een economisch model bestaat uit een stel wiskundige vergelijkingen die relaties beschrijven tussen ‘variabelen’, zoals inflatie, werkloosheid, loonkosten, exporten en importen, enzovoorts. Om er mee te kunnen voorspellen moeten die relaties numeriek worden ingevuld. Zo zou bijvoorbeeld uit een wiskundige vergelijking kunnen volgen dat als de loonkosten toenemen met 2% de werkloosheid met 1% toeneemt. Dat invullen met numerieke waarden gebeurt door naar het verleden te kijken. Als in het verleden een toename van de loonkosten met 2% tot een hogere werkloosheid van 1% heeft geleid (even aannemende dat er verder niets is veranderd), dan kun je dat in het model ‘invullen’ en daarmee voorspellen. Het voorspellen met economische modellen is dus niets anders dan het doortrekken van de gebeurtenissen uit het verleden naar de toekomst. Hier gaat het fout: in de toekomst gebeurt er altijd iets anders dan in het verleden. Soms verandert er maar een klein beetje, maar soms verandert er heel veel. Zoals bij de kredietcrisis: er veranderde zoveel dat de gangbare economische modellen de prullenbak in konden. Dit was meer dan 60 jaar geleden al de kritiek van Keynes op Tinbergen. De (economische) wereld is niet homogeen en dus heb je niks aan modellen waarin je getallen hebt ingevuld voor economische variabelen.

dinsdag 5 maart 2013

Jan Tinbergen: naast held ook schurk?

Dankzij het boekje ‘Econometrie’ van Jan Tinbergen ben ik na een paar jaar overgestapt van de studie economie naar de studie econometrie aan de VU. Het was een van de beste beslissingen in mijn leven. Ik moest, met mijn alfaprofiel, toen ook wiskundecolleges’s volgen. Het was een verademing. Geen oppervlakkig gepraat meer, maar er werden ‘echte’ stellingen bewijzen. Sommige dingen bleken echt waar te zijn. De stelling van L’Hopital, bijvoorbeeld. De hoogleraren aan de economische faculteit van de VU gaven mij nooit het idee dat er iets ‘waar’ was in de economische wetenschap. Nu 40 jaar later weet ik dat het onderwijs aan de economische faculteit indertijd slecht was mede omdat econometrie bestond en dat Tinbergen daarvoor verantwoordelijk was. Dat zat zo. Tinbergen was een van de drijvende krachten achter de oprichting van een aparte studierichting econometrie, eerst in de jaren 50 in Rotterdam, maar later ook aan andere universiteiten. Omdat economie en econometrie gescheiden waren, werd er bij de economische faculteiten te weinig econometrie gedoceerd en bij de opleidingen in de econometrie juist weer te weinig economie. Jarenlang zijn er economen opgeleid die niet exact konden denken en econometristen die niet economisch konden denken. De econometrie die Tinbergen propageerde heeft in Nederland nog een ander negatief effect gehad. Dankzij zijn invloed is er tot op de dag van vandaag een overdreven vertrouwen in economische modellen. Zelfs politici durven alleen maar in hun ideeën te geloven als die zijn ‘doorgerekend’ door een economisch model. Dat economisch model moet dan wel gemaakt zijn door het Centraal PlanBureau (CPB) waar ook al weer Jan Tinbergen achter zat. Hij had het in 1945 opgericht, toen Keynes zijn banvloek over modellen al had uitgesproken. Maar daarover later meer.

zondag 3 maart 2013

Jan Tinbergen, mijn held

Na de zomer van 1969 ging ik aan de Vrije Universiteit economie studeren. Ik had HBS-A gedaan, tot mijn eigen verdriet, maar als 15 jarige puber had ik niet genoeg mijn best gedaan op school om naar de HBS-B te mogen. Met een HBS-A diploma waren indertijd de studiemogelijkheden beperkt, maar toch was economie voor mij een positieve keuze. Ik wilde iets betekenen voor de wereld en dat kon met economie. Althans, dat dacht ik. Weg uit het ouderlijk huis was al een enorme cultuurschok voor mij, maar de erbarmelijk slechte kwaliteit van het onderwijs aan de VU maakte mij het eerste studiejaar regelrecht depressief. Dit ging niet over de economische werking van de maatschappij, waar ik over wilde leren. Dit ging, nou ja, dit ging nergens over. Zo was er een hoogleraar financiering die het week na week had over het hefboomeffect. In het boek dat hij voorschreef stond wel iets meer, geloof ik, maar ik heb het boek nooit ingekeken. Voor het tentamen haalde ik een 7. Verder was er een hoogleraar economische politiek die colleges gaf waar geen touw aan vast te knopen was. Hij had wel een heel interessant boek op de literatuurlijst gezet dat ik van A tot Z bestudeerd had voor het tentamen. Helaas, de hoogleraar stelde alleen maar onbegrijpelijke vragen over het onsamenhangende college dat hij had gegeven. Mijn kennis van het boek werd niet getoetst. Ik wilde weg van dit vak, maar waarheen? Moest ik dan mijn idealen opgeven omdat er zulke slechte docenten aan de VU rond liepen eind jaren 60? Toen kwam ik een boekje tegen van Jan Tinbergen dat simpelweg “Econometrie” heette. Dat boekje, zie foto met koffievlek, was een pleidooi om in de economie meer te meten en door middel van “multipele correlatierekening en het aanpassen van curven” verbanden tussen economische variabelen te ontdekken, zoals al vanaf de 19de eeuw “op natuurwetenschappelijke problemen was toegepast”. Tinbergen, gepromoveerd als natuurkundige, verwijst naar de oude discussie over de meetbaarheid van een subjectief begrip als warmte in de natuurkunde. Ondanks die subjectiviteit is een meetlat voor warmte ingevoerd en die “heeft tot een ontzaglijke ontwikkeling van de warmteleer bijgedragen”. Econometrie, dat was mijn redding, zo wist ik direct. Kon ik, ondanks mijn HBS-A toch nog iets van een exacte wetenschap doen (economie als natuurkunde) en ook nog de wereld helpen. Tinbergen was mijn redder, mijn held. 

zaterdag 2 maart 2013

De economie als medische wetenschap

De econoom als dokter
De economische wetenschap is duidelijk geen technische wetenschap. In de jaren 60 waren het dan ook geen economen die er voor moesten zorgen dat er een man naar de man werd gezonden. Gelukkig maar, want anders zou deze man nu nog op Cape Canaveral in Florida op de lancering van zijn raket zitten te wachten. Kunnen economen dan misschien beschouwd worden als artsen die medicijnen voorschrijven als de economie ziekteverschijnselen vertoont ? Als het goed is worden medicijnen eerst getest op werkzaamheid voor ze echt worden voorgeschreven Er zitten heel veel haken en ogen aan deze testen. Het komt er op neer dat goed geteste medicijnen toch nog vaak een onbekende werking hebben, net als economische recepten. Economische medicijnen kunnen eigenlijk helemaal niet getest worden. Met een beetje trial and error kunnen we er misschien achter komen wat het beste werkt. Bij economisch beleid wordt wat geprobeerd en bekeken wordt dan of dat tot succes leidt. Helaas, het is nooit helemaal na te gaan of beleid succesvol is geweest. Er zijn, naast het beleid, zo veel zaken die effect hebben op de economische werkelijkheid dat het vrijwel onmogelijk is succes of falen van economische variabelen aan beleid toe te schrijven. Soms lijkt economisch beleid succes te hebben, maar dan blijkt later dat dat succes toch schijn was. Alan Greenspan dacht dat hij jarenlang goed monetair beleid had gevoerd. Nadat de kredietcrisis was los gebarsten moest hij toch bekennen dat hij grote inschattingsfouten had gemaakt. Economen kan men als doktoren beschouwen met medicijnen die (soms) ernstige bijwerkingen vertonen.