donderdag 28 maart 2013

Hoe economen hypothesen toetsen, II

Keren we terug naar de econoom die wil weten groot het effect is van individuele capaciteit op loon. Stel nu dat uit de eerste schattingen komt dat dit effect nul is. Wat dan? Dan zou er reden tot verslagenheid kunnen zijn. Je kunt namelijk geen artikel schrijven met als boodschap dat een belangrijke theoretische variabele geen effect heeft. Gelukkig, maar misschien jammer, is de theorie niet specifiek genoeg om te zeggen hoe de relatie tussen variabelen er precies uitziet. Die relatie kan lineair zijn, kwadratisch, loglineair, te veel om op te noemen. Daarnaast kunnen misschien belangrijke variabelen over het hoofd gezien zijn, bijvoorbeeld of er een strenge winter was in de periode waarover de gegevens zijn verzameld, of wellicht was er net een staking. De schattingsmethode die gebruikt is was misschien toch niet de goede en moet er een meer verfijnde (of juist een grovere) methode gebruikt worden. Kortom, er staan nog veel mogelijkheden open om de relatie tussen loon en individuele capaciteit te schatten. Het is met de snelle rekenmethoden van tegenwoordig niet zo moeilijk om eens wat alternatieven uit te proberen. In een dag of twee, drie kun je toch wel een paar honderd alternatieve specificaties geprobeerd hebben, en het zou dan wel heel toevallig zijn als in al die schattingen dan niet het diamantje zit dat je aan het zoeken was. Het diamantje dat aangeeft dat individuele capaciteiten inderdaad bepalend zijn voor het individuele loon van een werknemer. Of is dit een typisch voorbeeld van een ‘bloeddiamant’, dat wil zeggen een diamant die met oneigenlijke middelen is verkregen? Eigenlijk wel: dit is een voorbeeld van een resultaat dat eerder geconstrueerd is dan dat het resultaat aangegeven is door de data. De econoom of econometrist die deze diamant uit zijn resultaten heeft gevist, lijdt aan confirmation bias. Helaas, een veel voorkomende en misschien wel onvermijdelijke ziekte onder empirische economen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten