zondag 30 juni 2013

Milton Friedman en de AOW

Samuelson beschreef in zijn artikel in 1958 dat de AOW de oplossing zou zijn voor de problemen van een chocolade-economie. Dat leek een beetje op mosterd na de maaltijd, want in Nederland hadden we al sinds 1956 de AOW en in de VS was die al zelfs al in de jaren 30 ingevoerd, tijdens de grote depressie. Discussie gesloten, dus? Toch niet, velen in de VS zagen de AOW (social security) als een vorm van fraude. Een andere Nobelprijswinnaar in de economie en verdediger van de vrije markt, Milton Friedman (1912-2006), was fel tegen social security, een systeem waar geen vraag naar was, zoals hij op deze video zegt. Waarom dwing je mensen (jongeren) voor anderen (ouderen) te zorgen, terwijl die mensen ook heel goed voor zichzelf kunnen zorgen, is zijn boodschap. Als mensen willen kunnen ze zich verzekeren, tegen ouderdom en tegen ziekte, en daar is de overheid helemaal niet bij nodig. Met andere woorden, de chocolade-economie van Paul Samuelson was aan Friedman niet besteed. Hij zal dat ongetwijfeld een kunstmatige uitvinding gevonden hebben, die niets te maken had met de ‘echte’ economie. Overigens, wij in Nederland hadden in 1956 dan wel de AOW gekregen, maar uit toelichtingen bij de wetstekst bleek dat het uitdrukkelijk een tijdelijk instituut zou zijn. Als mensen zelf in staat zouden zijn voor hun oude dag te zorgen, zou de AOW overbodig zijn. Dat was min of meer in lijn met Friedman’s idee over de AOW. Alleen Friedman wist al dat een tijdelijk overheidsprogramma een grote kans heeft permanent te worden.

vrijdag 28 juni 2013

Paul Samuelson en de AOW

We zagen dat Paul Samuelson in 1958 een chocolade-economie beschreef waarin ouderen en jongeren wonen. Alleen de jongeren krijgen een inkomen, maar dat inkomen is bederfelijke chocolade die ze niet kunnen bewaren tot ze oud zijn. Jongeren hebben dus te veel chocolade en ouderen te weinig.  Economen hebben een heilig geloof dat de markt wel tot een correctie zal leiden: het prijsmechanisme zorgt voor een optimum. Er wordt immers via de markt geruild tot iedereen de optimale hoeveelheid goederen heeft. Alleen in de chocolade-economie van Paul Samuelson kan er niet geruild worden. Er zijn alleen maar jongeren en ouderen. De jongeren hebben allemaal te veel chocolade: ze zouden hun chocolade wel willen ruilen tegen geld bijvoorbeeld dat ze dan in een oude sok stoppen en waarvan ze als ze oud zijn chocolade kunnen kopen. Het probleem is dat alleen de ouderen in aanmerking komen voor zo’n ruil en die ouderen hebben niets!  Hoewel Maurice Allais dit probleem 10 jaar eerder dus ook al gezien had, heeft Paul Samuelson dit waarschijnlijk onafhankelijk van Allais bedacht. Er is iets mis met intertemporele ruil, dat was de boodschap. Tot zover waren we inderdaad gekomen in het vorige blog. Zag Paul Samuelson een oplossing? Zeker, de jongeren en de ouderen moeten een overheid installeren en die overheid neemt chocolade van de jongeren en geeft dat aan de ouderen. Bovendien belooft de overheid aan de jongeren dat als zij oud zijn de dan levende jongeren ook een deel van hun chocolade moeten afstaan, zodat ook zij chocolade kunnen eten als ze oud zijn. Dit voorstel komt natuurlijk gewoon neer op de invoering van de AOW. Bij de AOW geven jongeren aan ouderen en hopen ze als ze oud zijn dat ze iets krijgen van degenen die dan jong zijn. Samuelson schreef zijn artikel in 1958. In Nederland was de AOW al in 1956 ingevoerd en in de VS zelfs al in de jaren 30. In de VS wordt de AOW social security genoemd en sommige Amerikanen zien het als een vorm van fraude (zie cartoon) Samuelson niet, zoals we in een volgend blog zullen zien.

maandag 24 juni 2013

Paul Samuelson en de chocolade-economie

Laten we nog een voorbeeld geven van het werk van Paul Samuelson. In 1958 introduceerde hij het zogeheten overlappende-generaties (afgekort tot OLG) model. Dat leek toen nieuw, maar later bleek dat de Fransman Maurice Allais hetzelfde OLG-model al in 1947 had beschreven, maar dan in het Frans en door niemand opgemerkt. Het OLG-model kan heel simpel beschreven worden. Stel, in een economie leven alleen jongeren en ouderen in een bepaalde periode. In de volgende periode zijn de ouderen uit de vorige periode dood, de jongeren uit de vorige periode zijn oud en er is een ‘nieuwe’ generatie jongeren. Neem vervolgens aan dat alleen de jongeren een inkomen krijgen en de ouderen niet. Dat inkomen is echter een bederfelijk goed dat de jongeren niet kunnen bewaren tot ze oud zijn in de volgende periode. Denk bijvoorbeeld aan chocolade dat zou smelten als je het tot de volgende periode zou willen bewaren. Het gevolg is dat alleen jongeren kunnen consumeren, maar ouderen niet, want zij krijgen geen inkomen. De ouderen hadden waarschijnlijk liever een deel van hun chocolade bewaard tijdens hun jeugd om het nu te kunnen opeten, maar dat had geen zin gehad: de chocolade zou nu bedorven zijn. De huidige jongeren hebben weer hetzelfde probleem: zij moeten wel al hun chocolade opeten, omdat ze die niet kunnen bewaren. Het is duidelijk dat deze economie geen efficiënt evenwicht oplevert. De jongeren moeten te veel chocolade eten, de ouderen hebben niets. Dit was een bijzonder resultaat omdat economen er tot dat moment vanuit gingen dat de markt altijd tot een optimaal resultaat leidt, maar in dit geval duidelijk niet. Hoe komt dat? Wel eenvoudig: er is geen markt waar goederen verhandeld zouden kunnen worden. De jongeren zouden wel een deel van hun ‘huidige’ chocolade willen ruilen voor ‘toekomstige’ chocolade, maar er is niemand waar ze mee kunnen ruilen. Is er een oplossing?

zaterdag 22 juni 2013

Paul Samuelson en de optimale consumptie van collectieve goederen

Bij collectieve goederen geldt dat we die met zijn allen kunnen consumeren. Consumeren dan niet in de zin dat we het opmaken, zoals bij een hamburger, maar dat we er van genieten, zoals bij een snelweg, of bij de nationale defensie waar we allemaal baat van hebben. Dit simpele gegeven leidde bij Paul Samuelson tot het inzicht dat nu voor een optimaal aanbod niet moet gelden dat de individuele extra baten van het goed gelijk moeten zijn aan de prijs, zoals bij individuele goederen, maar dat dat moet gelden voor alle individuele baten opgeteld. Simpel! In plaats van MB=MK leren we studenten dat voor collectieve goederen moet gelden, dat de som over alle individuen van de MB gelijk moeten zijn aan de MK. Nou en? Hebben politici er wat aan om dat te weten? vragen studenten dan wel eens. Nee, zeg ik dan, daar hebben politici niets aan, maar wij economen wel. Economen kunnen zich werelden voorstellen waarin bijvoorbeeld politici besluiten nemen over collectieve goederen, maar dan alleen maar rekening houden met hun eigen achterban. Bij een linkse regering wordt er alleen maar rekening gehouden met het arme deel van de bevolking en bij een rechtse regering wordt er alleen maar rekening gehouden met het rijke deel van de bevolking. Dat wil dus zeggen dat in de feitelijke politiek wel de som van MB gelijk worden gemaakt aan de MK, maar de som gaat niet over alle individuen en kan dus niet tot een optimaal aanbod van collectieve goederen leiden. Dankzij Paul Samuelson weten we dat het politieke bedrijf niet tot een optimale omvang van de collectieve sector zal leiden.

woensdag 19 juni 2013

Paul Samuelson en de optimale consumptie van een hamburger

Paul Samuelson (1915-2009), is volgens normen van de economische professie een van de grootste economen van de 20e eeuw met bijdragen op vrijwel alle deeldisciplines van de economie. Zo heeft hij het Samuelson-Stolper theorema (internationale handel) op zijn naam staan; hij heeft het overlappende-generatie model gepopulariseerd onder economen; hij heeft de voorwaarden voor Pareto-optimaal aanbod van collectieve goederen afgeleid (veelal de Samuelson-voorwaarde genoemd). Deze en andere bijdragen aan de economische wetenschap zijn gebaseerd op een kernachtige wiskundige formulering van een economisch idee. Neem als voorbeeld de formulering van de Samuelson-voorwaarde. Het was al lang bekend aan welke voorwaarden de consumptie van een particulier goed, zoals een hamburger, moet voldoen om de maximaal mogelijke welvaart aan consumenten te kunnen bieden. Ietwat technisch gezegd moet gelden dat voor ieder goed dat een consument aanschaft de marginale baten gelijk moeten zijn aan de marginale kosten. Dat laatste is veelal de prijs die ervoor betaald wordt. De redenering is eenvoudig. Als de extra baten die je krijgt van het consumeren van een extra hamburger groter is dan de prijs, dan moet je die hamburger zeker nog nuttigen. Je krijgt er immers meer voor terug (de extra baten) dan je ervoor betaalt (de prijs). Maar omdat je na iedere volgende extra hamburger steeds minder zin krijgt in een volgende hamburger of, zoals de econoom zegt, de marginale baten dalen, zal na de consumptie van een zeker aantal hamburgers de extra baten van nog een hamburger niet meer opwegen tegen de prijs. Dan moet je ophouden met nog meer hamburgers te consumeren. De marginale baten (MB) zijn dan dus gelijk aan de prijs, oftewel de marginale kosten (MK). Aan eerstejaars studenten in de economie leren we dan ook dat voor een privaat goed dat op de markt gekocht wordt, moet gelden: MB=MK. Als dat voor iedereen geldt, is er een ‘optimale’ situatie bereikt. Optimaal wil zeggen dat je niemands welvaart kunt verbeteren zonder de welvaart van minstens één ander persoon te verlagen. Omdat meestal iedereen dezelfde prijs betaalt voor een hamburger, zal iedereen dezelfde marginale baten van het eten van een hamburger hebben. Maar hoe werkt dat bij een goed dat door de overheid wordt geproduceerd en door meerdere mensen tegelijkertijd geconsumeerd wordt? Enter Paul Samuelson in 1954.

vrijdag 7 juni 2013

De zwarte zwaan en wat we niet kunnen weten

Om het gemiddelde gewicht te kunnen bepalen van de bevolking kunnen we met onze steekproef van duizend personen een redelijk betrouwbare schatting krijgen. Maar, zoals een trouwe lezer van dit blog al vermoedde, dit geldt niet als we een schatting willen maken van economische grootheden. Stel bijvoorbeeld dat we met die steekproef ook het gemiddelde financiële vermogen willen bepalen. Zeg dat uit onze steekproef blijkt dat het gemiddeld vermogen 100.000 euro bedraagt. Dat zou erg veel zijn, want kinderen hebben over het algemeen geen vermogen. Om na te gaan of onze berekening van het gemiddelde vermogen bestand is tegen extreme waarden gaan we op zoek naar de rijkste man/vrouw op aarde. Er blijken twee superrijke mannen te zijn, namelijk de Mexicaan Carlos Slim Helú en natuurlijk Bill Gates, allebei hebben ze een vermogen van zo’n 45 miljard euro. We zien een van de twee echter over het hoofd en nemen de ander op in onze steekproef van duizend personen. Als we nu opnieuw het gemiddelde vermogen gaan uitrekenen met onze superrijke erbij, dan blijkt het gemiddelde vermogen gestegen te zijn van 100.000 euro naar meer dan 40 miljoen euro! Het gemiddelde vermogen wordt opeens meer dan 40 maal zo groot door de toevoeging van één enkele waarneming. Steekproeven geven bij dit soort verschijnselen dus geen betrouwbare informatie over het gemiddelde. Het resultaat kan gedomineerd worden door het al dan niet ontbreken van een extreme waarde. Bij wat voor soort verschijnselen doet zich dit voor? Bij bijna alle economische verschijnselen, zoals Taleb beweert. Als Taleb gelijk heeft, dan is een groot deel van de economisch empirische kennis gebouwd op drijfzand.

dinsdag 4 juni 2013

De zwarte zwaan en wat we wel kunnen weten

Het boek de zwarte zwaan van Nassim Taleb is misschien het boek dat het meeste indruk op mij heeft gemaakt, na het boek De avonden van G.K. van het Reve dat mij na lezing op mijn zestiende maandenlang met een zwarte wolk bleef omhullen. De zwarte zwaan leidde niet tot een zwarte wolk, daarvoor was het weer te weinig een echt goed boek. Er zijn passages waar de auteur voornamelijk erg tevreden met zichzelf lijkt te zijn die dan weer afgewisseld worden met briljante verbeeldingen van zijn belangrijkste idee, namelijk dat veel economische verschijnselen niet te voorspellen zijn. Hier is, na de kerstkip, weer een andere verbeelding van zijn idee. Stel dat we zo’n duizend mensen, die we willekeurig bij elkaar hebben gekregen, gaan rangschikken op hun gewicht. Het gemiddelde gewicht, baby’s en kinderen meegerekend, zal op ongeveer 60 kilo uitkomen. Stel nu dat je daar de dikste persoon die je je kunt voorstellen aan toevoegt. Zeg dat zij (het blijkt een zij te zijn geweest) 700 kilo weegt. Als je nu het gemiddeld gewicht opnieuw berekent, dan neemt dat met nog geen kilo toe. Zulke dikke personen zijn zeer uitzonderlijk (er is maar een enkel persoon geweest die zo zwaar was) en afgezet tegen het gemiddelde gewicht van de hele wereldbevolking veranderen ze het gemiddelde gewicht nauwelijks. Conclusie: een extreme waarde (een zwarte zwaan) heeft bij deze variabele (het gemiddelde gewicht) nauwelijks invloed op de waarde van die variabele. Je kunt dus uit je steekproef van duizend mensen een redelijk betrouwbare schatting van het gemiddelde gewicht afleiden.