vrijdag 30 augustus 2013

Albert Jolink: Samuelson versus Taleb is niet Keynes versus Tinbergen

Albert Jolink is een econoom die ook wel eens over de beroemde discussie van Keynes versus Tinbergen heeft geschreven. Toen ik dan ook in het economenblad ESB een deel van die discussie verwerkte en vergeleek met de Samuelson versus Taleb discussie (die geen discussie was, want bij mijn weten heeft Samuelson bij leven niet gereageerd op de aanval van Taleb), stuurde hij mij en het tijdschrift ESB een reactie. Daarin stond: “dat de verwijzingen naar Tinbergen (…) overbodig zijn omdat het onderwerp over Samuelson vis-à-vis Taleb gaat, over een onderwerp (fat tails) waar Keynes noch Tinbergen veel woorden aan vuil hebben gemaakt. Graag verwijs ik naar een jeugdzonde van mij uit 2000 (!): In Search of Verae Causae: The Keynes-Tinbergen Debate Revisited voor een verdere uitleg.” Dit was overigens het meest aardige deel van de reactie, maar we gaan niet mokken. Wat Jolink hier beweert is dat Keynes nauwelijks een idee over fat tails had en dat dus de discussie Keynes-Tinbergen niets te maken had met de Taleb-Samuelson discussie. De discussie over de fat tails is in feite een discussie over de residuen van regressievergelijkingen. De standaardvergelijking over de residuen is dat ze normaal verdeeld zijn rond nul. Oftewel, residuen, of hun theoretische evenbeeld: de storingstermen, zullen meestal in de buurt van nul liggen, dus klein zijn. We zouden ook kunnen zeggen: alle residuen zijn witte zwanen. Het is een langlopende traditie onder econometristen om, als een residu in een bepaald jaar groot blijkt te zijn, te kijken of er niet iets bijzonders aan de hand was in dat jaar. Dat zou een staking kunnen zijn, of een nieuwe belasting die een grote invloed op het gedrag heeft gehad. Geen toevallig gekozen voorbeelden. Zij zijn van Tinbergen in zijn antwoord van 1940 op Keynes. Hier blijkt uit dat Tinbergen inderdaad geen benul had van 'fat tails' oftewel zwarte zwanen, maar Keynes had dat wel. Hoe dat zit, dat zien we een volgende keer. 

dinsdag 27 augustus 2013

Mijn tweede empirische onderzoek (1980-1981): Morkmon

Bij De Nederlandsche Bank (DNB) was dus mijn belangrijkste bezigheid het schrijven van nota’s. In die nota’s liet ik wel eens de resultaten van een regressie zien, maar dat was nooit gebaseerd op een echt onderzoek dat tot een paper zou kunnen leiden. Maar ergens in 1980 werd door waarschijnlijk Martin Fase, al dan niet na toestemming van de directie van DNB, besloten dat er bij DNB een monetair model moest komen. Er waren wel allerlei deelonderzoeken, maar die waren nooit aan elkaar gekoppeld. Er werd een werkgroepje gevormd dat het model in elkaar mocht knutselen en ik zat daar ook bij. Het zou een van de leukste perioden uit mijn leven als econoom/econometrist worden. Waarom eigenlijk? Hoe kon werken op zo’n bureaucratisch instituut als DNB nu leuk zijn? Eenvoudig, we waren allemaal gelijk gestemd en hadden bij dit werk eigenlijk niet zo veel met de hiërarchie en de bureaucratie van de bank te maken. We waren enthousiast bezig data te verzamelen en vergelijkingen opnieuw te schatten en boomden daar op vrijdagmiddag lang over door. Er was in dat groepje niemand die met zijn carrière bezig was, niemand die de veren van de collega’s wilde afpikken. We wilden gewoon een monetair model maken en daar een mooi verhaal over schrijven. Mijn leven als hoofdbeambte bij DNB, begin jaren 80, lachte mij toe. Het was, helaas, het begin van het einde. Nog voor het monetair model helemaal klaar was, had ik DNB alweer verlaten. Mijn mooie inkomen gaf ik op en de hypotheek moest ik veel duurder, elders afsluiten. Nadat ik DNB had verlaten, duurde het minstens zeven jaar, maar misschien wel veel langer voor ik weer hetzelfde inkomensniveau als bij DNB had bereikt. Waarom ging ik dan weg? Dat komt later. We keren eerst weer terug naar andere economen.

vrijdag 16 augustus 2013

Mijn tweede baan (1979-1982): DNB revisited III

Wat deed ik dan zoal bij De Nederlandsche Bank (DNB)? De belangrijkste bezigheid was het schrijven van nota’s. Ik heb ze bewaard, allemaal ouderwets getypt door secretaresses met hier en daar correcties met behulp van witsel. Die nota’s waren vaak het gevolg van een verzoek om informatie door leidinggevenden, meestal Martin Fase. De nota’s die ik schreef zaten vol econometrie, dat wil zeggen het ging over empirische schattingen van meestal monetaire relaties, zoals het netto geldscheppend bedrijf door banken, of de beleggingen door banken. Termen als autocorrelatie, heteroscedasticiteit, Slutsky-decompositie, kortom termen waar een econometrist dol op is, waren niet van de lucht. Ik deed voor die nota’s ook zelf schattingen, maar er waren anderen voor om dat uit te voeren. Als hoofdambtenaar kon je aan de beambten van jouw afdeling vragen het zware, dus statistische, werk te doen. Op de universiteit werd er van uitgegaan dat je alles zelf deed. Bij DNB werd er van uitgegaan dat de hoofdbeambte zijn tijd beter kon gebruiken. Het was een luxueuze positie en soms droomde ik dat ‘mijn’ beambten alsnog de stelling van Tinbergen over inkomensongelijkheid voor mij zouden toetsen en, bij voorkeur, bevestigen. Dat ging natuurlijk niet. Ik kon alleen werk opdragen aan beambten waar uiteindelijk mijn leidinggevenden toestemming voor hadden gegeven. Zij gaven geen toestemming voor onderzoek dat ik interessant vond. Zij gaven mij zelfs geen toestemming om onderzoek te doen in onderwerpen die ze wel interessant vonden, zoals de geldvraag. Mijn leidinggevenden waren kennelijk bang dat ik er een econometrieshow van zou maken. Zo was ik dus in een ideale positie gekomen om empirisch werk te doen, maar kon ik er geen gebruik van maken. Dat moest gaan wringen. Inderdaad, maar er stond veel tegenover. Een hoog salaris, een goedkope hypotheek, een bedaard tempo en dus zeker geen stress. De zogenaamde gouden ketenen waar de minst ambitieuze medewerkers graag hun hele leven aan gekluisterd bleven. 

zondag 11 augustus 2013

Mijn tweede baan (1979-1982): DNB revisited II

Tegenwoordig wekt de De Nederlandsche Bank in haar personeelsadvertenties de indruk dat ze bij voorkeur exotische en excentrieke types in dienst neemt. Begin jaren 80 was DNB een vermolmd instituut waar hiërarchie en etiquette belangrijker waren dan inhoud. Het was bekend dat, mocht je eens het geluk hebben bij een directielid geroepen te worden, je vooral niet moest vergeten je colbert aan te trekken. Anders werd je er na afloop van het gesprek door de secretaresse van het directielid nog even op gewezen hoezeer het directielid had geleden door het ontbreken van je colbert. Het ontbreken van een stropdas was een nog grotere doodzonde. Bureaucratisch was DNB ook, in het pré-internettijdperk. Als ik bijvoorbeeld de export van, zeg, Gambia in 1977 wilde weten dan kon ik niet naar DNB-ambtenaar Mr. X gaan, wiens specialiteit het maken van exportstatistieken was. Als ik Mr. X zou mogen opbellen, had ik binnen een minuut de export van Gambia in 1977 geweten. Er waren toen mensen bij DNB werkzaam die hun ‘eigen’ statistieken uit hun hoofd kenden. Maar die mocht je niet zo maar benaderen. Dan zou je het hoofd van de afdeling van Mr X (of zijn secretaresse) op je dak krijgen. Ik moest eerst naar de baas van mijn afdeling, Martin Fase, aan wie ik moest vragen of hij wilde vragen aan de baas van de afdeling van Mr. X of Mr. X mij de export van Gambia in 1977 kon geven. Zo duurde het minstens een week, in plaats van een minuut, voor ik het gewenste gegeven had. Inderdaad, zoals ik al eerder zei, DNB had geluk dat toen niet de kredietcrisis was uitgebroken. Ze zouden het pas jaren later door hebben gehad.

donderdag 8 augustus 2013

Mijn tweede baan (1979-1982): DNB revisited I

Op 1 mei 1979 begon ik als hoofdambtenaar bij De Nederlandsche Bank (DNB) op de afdeling Wetenschappelijk Onderzoek en Econometrie die onder leiding stond van Martin Fase. Ik had een driedelig pak gekocht, want dat DNB een formele club was met krijtpakken en een strikte hiërarchie, dat was mij vanaf het begin duidelijk. Het was eigenlijk erger dan ik het me van te voren had voorgesteld. Ik herinner me een bespreking met Kessler (1917-2002), toen lid van de directie van DNB, met een aantal ondergeschikten, waaronder Martin Fase en ikzelf. Kessler was voortdurend aan het woord. Het was niet de bedoeling dat anderen hun mond open deden, ook Martin Fase niet, die toch behoorlijk hoog was in de hiërarchie van DNB. Alleen als je aangesproken werd, mocht je wat zeggen. Op het eind van zo’n bespreking werden er geen conclusies getrokken of werkafspraken gemaakt. De lager geplaatsten in de hiërarchie moesten uit de wijze woorden van Kessler begrijpen wat hun te doen stond. En als ze het niet begrepen, dan hield hun carrière bij DNB wel zo ongeveer op. Er was bij DNB natuurlijk ook nog de vermaarde Jelle Zijlstra als president, maar hem heb ik in de tijd dat ik er werkte alleen van grote afstand mogen aanschouwen. Wel werd ons, medewerkers bij DNB, meegedeeld wanneer we de President op de verrekijk mochten aanschouwen. Thuis mochten we wel naar hem kijken, maar op het werk niet. Ik vroeg mij later vaak af hoe het toch kwam dat DNB toen geen grote blunders beging, gezien het werkklimaat. Puur geluk, weet ik nu. Als in 1979 de kredietcrisis zou zijn uitgebroken, was de bank terstond met president en al door het Frederiksplein gezakt. 

dinsdag 6 augustus 2013

Na een mislukt onderzoek (1976-1978) wenkte DNB

Eerst maar weer eens iets over mijn eigen leven als econoom. Eerder vertelde ik hoe mijn eerste empirische onderzoek mislukte (1976-1978). Ik wilde een hypothese van Tinbergen over de ontwikkeling van inkomensongelijkheid toetsen, maar er kwam niets uit of het verkeerde resultaat. Ik probeerde van alles, maar na twee jaar ploeteren was ik weer bij het begin van mijn onderzoek. Twee jaar lang was ik, als op een eiland, rondjes blijven draaien: er was geen hulp en ik zocht ook geen hulp. Ik voelde me mislukt als onderzoeker, maar kwam nog net niet in een depressie. Ik moest weg van de academie, dat was duidelijk. Er waren vacatures genoeg: bij het SCP, bij het CPB, bij De Nederlandsche Bank (DNB), bij de AMRO, de SVB, de KHT. De barre winter van 1978/1979 kan ik me voornamelijk herinneren als een winter waarbij ik in de sneeuw of over ijs van het ene sollicitatiegesprek op weg was naar het volgende sollicitatiegesprek. Waarom iedereen mij serieus nam na zo’n mislukking, weet ik ook niet. Er waren overigens afzeggingen genoeg. Bij de AMRO mocht ik niet komen, want ze vonden mij te pessimistisch. Banken hebben liever optimistische en assertieve types als Rijkman Groenink die in 1974 wel mocht komen bij de AMRO. Enfin, DNB deed me wel een aanbod, maar alleen als onderzoeker. Ik kon er niet op rekenen ooit in een beleidsfunctie bij DNB terecht te komen. Het toenmalige hoofd van de onderzoeksafdeling, Martin Fase, had kennelijk een lans voor mij gebroken. Ik zou hem er dankbaar voor moeten zijn dat ik dankzij hem een tweede kans kreeg op de arbeidsmarkt, maar nu 35 jaar later heb ik gemengde gevoelens. Dankbaarheid is een schaars goed. Ook bij mij.