dinsdag 6 augustus 2013

Na een mislukt onderzoek (1976-1978) wenkte DNB

Eerst maar weer eens iets over mijn eigen leven als econoom. Eerder vertelde ik hoe mijn eerste empirische onderzoek mislukte (1976-1978). Ik wilde een hypothese van Tinbergen over de ontwikkeling van inkomensongelijkheid toetsen, maar er kwam niets uit of het verkeerde resultaat. Ik probeerde van alles, maar na twee jaar ploeteren was ik weer bij het begin van mijn onderzoek. Twee jaar lang was ik, als op een eiland, rondjes blijven draaien: er was geen hulp en ik zocht ook geen hulp. Ik voelde me mislukt als onderzoeker, maar kwam nog net niet in een depressie. Ik moest weg van de academie, dat was duidelijk. Er waren vacatures genoeg: bij het SCP, bij het CPB, bij De Nederlandsche Bank (DNB), bij de AMRO, de SVB, de KHT. De barre winter van 1978/1979 kan ik me voornamelijk herinneren als een winter waarbij ik in de sneeuw of over ijs van het ene sollicitatiegesprek op weg was naar het volgende sollicitatiegesprek. Waarom iedereen mij serieus nam na zo’n mislukking, weet ik ook niet. Er waren overigens afzeggingen genoeg. Bij de AMRO mocht ik niet komen, want ze vonden mij te pessimistisch. Banken hebben liever optimistische en assertieve types als Rijkman Groenink die in 1974 wel mocht komen bij de AMRO. Enfin, DNB deed me wel een aanbod, maar alleen als onderzoeker. Ik kon er niet op rekenen ooit in een beleidsfunctie bij DNB terecht te komen. Het toenmalige hoofd van de onderzoeksafdeling, Martin Fase, had kennelijk een lans voor mij gebroken. Ik zou hem er dankbaar voor moeten zijn dat ik dankzij hem een tweede kans kreeg op de arbeidsmarkt, maar nu 35 jaar later heb ik gemengde gevoelens. Dankbaarheid is een schaars goed. Ook bij mij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen