dinsdag 24 september 2013

Wat beleidsmakers doen als het goed gaat



Eind jaren 90 was er een periode van hoge economische groei. De inkomens bleven maar stijgen en de overheid kreeg steeds meer belastingopbrengsten. Het kon niet op. Een verstandige overheid zou die extra opbrengsten bespaard hebben als een appeltje voor de dorst, bijvoorbeeld door extra op de overheidsschuld af te lossen. Het Nederlandse ministerie van Financiën onder leiding van Gerrit Zalm en Wouter Bos (die nu elders zeer bovenmodaal verdienen) had echter besloten dat er een belastinghervorming zou komen en dat die alleen maar geaccepteerd zou worden door het publiek als er ook een fikse lastenverlichting zou worden gegeven. En dat kon, want het ging goed en het zou nooit meer slecht gaan in de wereld. En dus werden voor miljarden euro’s cadeautjes uitgedeeld aan belastingbetalers en werd de economie nog meer opgezweept. Het verder opzwepen van de economie als die al oververhit is, is als het ware een uitnodiging voor een recessie. De aanval op de WTC-torens in New York (2001) kwam wat dat betreft als geroepen. Dat leidde een crisis in, maar die bleek kortstondig. Pas na 2007 begon de echte teruggang. De belastingopbrengsten vielen terug, het overheidstekort liep op en de schuld nam weer toe. Was het beter gegaan als in 2000 geen lastenverlichting was gegeven door Zalm en Bos? Zeker! Dan zou de schuld nu veel minder dan 70% van het nationaal inkomen zijn en de overheid had het tekort verder kunnen laten oplopen dan het kabinet Rutte II nu wil. Het effect op de schuld zou te verwaarlozen zijn geweest. 

vrijdag 20 september 2013

Beleidsmakers trekken ook alleen maar een lijn door

Laatst zat ik bij een bijeenkomst waarin over de financiële situatie van een grote stad werd gesproken. Die situatie is momenteel niet florissant, vooral omdat het met de huizenmarkt niet goed gaat. De gemeenten kunnen hun grond daardoor niet rendabel exploiteren. Iemand zei toen dat bij projecten door gemeenten alleen maar drie jaar vooruit gekeken mag worden. Anders krijg je wensdenken. Dat klinkt redelijk. Toen het nog goed ging met de huizenmarkt, begonnen gemeenten enthousiast aan grote projecten zonder al te uitputtende berekeningen over rendementen, want de rendementen op de commerciëlere onderdelen zouden geweldig zijn. Het gevolg was duidelijk: men ging te veel investeren. Het gevolg van de 3-jaarsregel is ook duidelijk: men gaat te weinig investeren, want in de eerste drie jaar zijn er alleen maar kosten. Ofte wel: als het goed gaat, gaat men te veel doen en als het slecht gaat, gaat men te weinig doen. Dat is een algemeen menselijke eigenschap: als ons of anderen iets ergs overkomt denken we dat het binnenkort weer zal gebeuren. Als er ergens een terroristische aanslag is geweest, moet er binnenkort wel weer een komen. Wat we doen is niets anders dan het in gedachten doortrekken van een lijn. Als die lijn toevallig naar boven gaat, denken we dat die naar boven blijft gaan. Als die lijn naar beneden gaat (en dus tegenspoed impliceert), denken we dat er nooit meer een einde aan onze ellende komt. Het economische beleid is dus ook op die gedachte gebaseerd. Nu gaat het slecht met de economie en de overheidsfinanciën en de beleidsmakers denken (of doen alsof) dat de crisis nooit meer voorbij zal gaan. Er worden draconische maatregelen genomen die voornamelijk tot gevolg hebben dat het alleen maar nog slechter gaat.  

donderdag 12 september 2013

Albert Jolink: de zwarte zwaan van Keynes en Tinbergen (III en slot)


De zwarte zwaan is een hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenis die (vrijwel) niemand verwacht en toch plaats vindt met grote gevolgen. Het succes van de boekenreeks Harry Potter was een zwarte zwaan, het megasucces van The Beatles 50 jaar geleden ook en, natuurlijk, de kredietcrisis van 2007/2008. De zwarte zwaan verdraagt zich slecht met de normale verdeling (zie hoofdstuk 15 van The Black Swan van Taleb). Waarom? Eenvoudig: omdat volgens de normale verdeling extreme waarden praktisch zijn uitgesloten. En zo zijn we weer terug bij de econometristen die veronderstellen dat de residuen van hun regressievergelijkingen een normale verdeling hebben. Dat is een reuze handige aanname omdat je dan met de gegevens in je hand met vrijwel 100% zekerheid iets over de economische werkelijkheid kunt zeggen. Dat was al het onderwerp van het Tinbergen-Keynesdebat van 1939/1940. Albert Jolink beweerde daarover dat zowel Keynes als Tinbergen weinig te zeggen hadden over de zwarte zwaan. Fout! Tinbergen liet zich in dat debat ontvallen dat exceptioneel grote residuen uit een geschatte regressievergelijking misschien toch wel alsnog verklaard zouden kunnen worden. Hele generaties econometristen (waaronder schrijver dezes) zijn opgevoed met het idee dat je deze zogenaamde uitbijters alsnog moet proberen weg te masseren. Keynes in zijn gebruikelijke understatement sabelde deze praktijk bij voorbaat neer. Keynes zegt dat Tinbergen kennelijk veronderstelt dat de analyse nauwkeuriger zal zijn, naarmate er een groot residu zal zijn: “But does he not, in general, judge the accuracy of his analysis by the smallness of his residual?” (Economic Journal, maart 1940, t.a.p., blz. 155). Met andere woorden, Keynes zegt dat Tinbergen veronderstelt dat de residuen voldoen aan de voorwaarden van de Bell curve (residuen zijn klein), maar dat, als er dan toch een zwarte zwaan aan komt vliegen (een exceptioneel groot residu), deze zwarte zwaan alsnog wit geschilderd wordt onder de pretentie dat we de wereld dan zelfs beter begrijpen. Maar dat laatste is natuurlijk niet waar. Als we de zwarte zwanen wit schilderen, zien we ze nog minder aankomen. Zie: Harry Potter (werd als manuscript door alle grote uitgeverijen geweigerd), zie The Beatles (als beginnende band geweigerd door alle grote platenmaatschappijen), zie: kredietcrisis (zag geen enkele econoom aankomen).

zondag 8 september 2013

Hoe toetsen economen hun hypothesen, III

Albert Jolink schreef mij dat Keynes weinig woorden heeft vuil gemaakt aan ‘fat tails’, oftewel zwarte zwanen. Fout, zo schreef ik in het vorige blog: Tinbergen had inderdaad geen benul van zwarte zwanen, maar Keynes wel. Om dat te laten zien, gaan we na hoe economen of econometristen hun hypothesen toetsen. We hebben het daar al eerder over gehad. Dus, we gaan op herhaling. Stel dat een empirisch econoom wil weten of de investeringen van bedrijven door de rente worden bepaald. Dan schrijft hij/zij een meestal lineaire formule op waarin de investeringen een functie van de rente en mogelijk andere zogenaamde verklarende variabelen zijn. Vervolgens zoekt hij/zij gegevens over landen en/of tijdsperioden voor die variabelen die in de formule staan en hij/zij past een regressie toe op hun waarnemingen. Dat wil zeggen, de vergelijking wordt met behulp van de waarnemingen ‘ingevuld’ op een zodanige manier dat de afwijking tussen wat te verklaren is (de investeringen) en de verklaring (de rente en mogelijk andere variabele) zo klein mogelijk is. Helemaal perfect kan het verband per definitie niet zijn: er zijn altijd residuen. Residuen kwamen we al eerder tegen en het blijkt voor de statistiek zeer handig te zijn om daarover te veronderstellen dat ze een normale verdeling hebben. Dat wil zeggen dat ze een vorm hebben zoals in de zogeheten klok- of “bell curve” die hiernaast staat afgebeeld. Als je genoeg waarnemingen hebt bij het uitvoeren van de regressie zullen de residuen in dat geval verdeeld zijn zoals in de figuur is afgebeeld. Dus de meeste residuen liggen in het midden en dat midden wordt gelijk aan nul verondersteld (μ=0 in de figuur). Residuen die ‘ver weg’ liggen (oftewel groter zijn dan 3σ of kleiner dan –3σ) zijn er vrijwel niet. En als die er toch zijn? Dan passen we het recept van Tinbergen toe. Hoe? En wat vond Keynes daar van? Toch nog even geduld. Volgende keer verder.

dinsdag 3 september 2013

Albert Jolink II: Wat wisten Keynes en Tinbergen van zwarte zwanen?

Albert Jolink schreef mij belerend (zie hier) dat Keynes noch Tinbergen veel woorden hebben besteed aan ‘fat tails’, oftewel zwarte zwanen in statistische analyses. Hij verwees mij naar een artikel van hemzelf uit 2000 over het Keynes-Tinbergen debat voor een verdere uitleg. Dat artikel heb ik inmiddels gelezen. Een van Jolink’s hoofdpunten is dat het debat weliswaar ook wel ging over de vraag of statistisch onderzoek tot economisch-theoretische kennis kon leiden, maar de kernvraag was of investeringen nu wel of niet door de rente werden beïnvloed. Keynes maakte daar “ruzie over”, aldus Jolink, waarschijnlijk omdat Tinbergen allemaal vraagtekens zette bij de theorie die hij, Keynes, zelf bedacht had. Tsja, was Keynes zo kinderachtig dat hij via de bewering dat statistiek geen kennis van economisch causale relaties kon opleveren, zijn theorie wilde redden? Nee toch? Ik hou het er op dat Keynes echt niet in het gebruik van statistiek in de economie geloofde omdat statistische relaties niet voldoende stabiel zijn om betrouwbare resultaten op te leveren. Oftewel, de bewering van Keynes was dat de residuen (of storingstermen) niet normaal verdeeld zijn met een gemiddelde waarde van nul. Als dat zo is, zijn statistische schattingen van economische verbanden misleidend. Precies hetzelfde punt waar Taleb een heel boek (de zwarte zwaan) over geschreven heeft. Hoe weet ik dat Keynes er zo over dacht, terwijl hij er, volgens Albert Jolink nauwelijks woorden aan besteed heeft? Keren we dan maar weer terug naar het Tinbergen-Keynes debat eind jaren 30. Tinbergen liet zich in dat debat ontvallen dat de residuen van een regressievergelijking, dat wil zeggen het deel van de verklaring dat volledig door toevalsfactoren zou moeten worden bepaald, misschien toch wel alsnog verklaard zou kunnen worden. Bijvoorbeeld door een staking, of een verandering van belastingen. Dit zal met name het geval zijn bij exceptionele grote residuen. Taleb zou dan zeggen: we hebben een zwarte zwaan. De econometrist zegt: we hebben een uitbijter. Keynes vond dit laatste een inconsistente interpretatie van het gebruik van statistiek, zoals we in het volgende blog zullen zien.