woensdag 16 oktober 2013

Hoe economen redeneren IV: waarom vrij verkeer (in de EU) slecht voor ons is

Veel politici en economen steunden aan het begin van deze eeuw het vrije verkeer voor werknemers in de EU. In vorige afleveringen hebben we al uitgelegd waar die steun op gebaseerd was: vrij verkeer zou welvaart voor iedereen brengen. Ik liet met opzet een paar effecten van het vrije verkeer weg, zoals een lezer al opmerkte. Dat was niet netjes, hoewel: de economen die de EU steunden deden dat indertijd ook. Waarom? Ja, omdat er natuurlijk duizend-en-een effecten zijn van verdergaande integratie in de EU, maar het gaat om de belangrijkste effecten. Het belangrijkste effect was dat de totale welvaart zou toenemen. En wie wil dat nu niet? Dat was een retorische vraag, maar er was toch een antwoord: de mensen van wie de welvaart niet toeneemt willen dat niet. Weliswaar neemt de totale welvaart toe (natuurlijk onder bepaalde voorwaarden die we niet benoemen), maar de verdeling van de welvaart verandert ook door immigratie. De mensen die moeten concurreren met de immigranten krijgen (door die concurrentie) minder inkomen en de mensen die niet hoeven te concurreren met de immigranten (voornamelijk ondernemers, hoog opgeleiden en andere rijken) krijgen juist meer inkomen. Die extra welvaart door het vrije verkeer van werknemers (als die er al is) waar de pleitbezorgers van integratie op wijzen, komt dus ten goede aan mensen die geen last hebben van immigranten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de PvdA jarenlang economen herbergden die warm voorstander waren van toenemende integratie in de EU. Zij waren elite-economen die nooit last hadden gehad van de neveneffecten van immigratie.  Dat is later bijgedraaid, getuige de hartekreet van minister Asscher afgelopen zomer dat migratie tot een massale verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt zou leiden.

dinsdag 15 oktober 2013

Een Nobelprijs voor de economie?

Nee, de Nobelprijs voor de economie is geen ‘echte’ Nobelprijs. De prijs werd in de jaren 60 door de Centrale Bank van Zweden ingesteld om Alfred Nobel alsnog postuum te eren met een prijs voor een vakgebied dat Nobel zelf over het hoofd had gezien. Volgens Taleb moet Nobel zich in zijn graf met afgrijzen afgewend hebben van deze prijs voor een vakgebied dat die naam niet verdient. De Nobelprijs past wel in onze huidige reeks dat je met economische argumenten alles kunt bewijzen, zowel dat een verschijnsel A (zeg immigratie) goed is voor de binnenlandse economie als dat A daar slecht voor is. De Nobelprijs voor dit jaar is uitgereikt aan economen die zo ongeveer het tegenovergestelde hebben beweerd (de markt is efficiënt versus de markt gaat uit van verkeerde signalen).  In 1997 had het ‘Nobelprijs’ comité de prijs uitgereikt aan twee economen Merton en Scholes die het principe van de bepaling voor de optieprijs wiskundig hadden geformuleerd. Hun idee probeerden ze zelf te gelde te maken via een investeringsmaatschappij. In 1998 hadden zij via deze investeringsmaatschappij, Long-Term Capital Management (LTCM), omvangrijke niet gedekte investeringen in derivaten uitstaan die volgens hen theoretisch geen risico konden opleveren. Toen in de zomer van 1998 de Russische overheid bankroet dreigde te gaan, begon LTCM  megaverliezen te lijden die zo groot waren dat een ‘bail-out’ van de Amerikaanse overheid nodig was. Het leek er op dat je een Nobelprijs kon krijgen voor een idee waarmee je failliet kon gaan. Dit jaar is het comité dus zo wijs geweest de prijs te geven aan economen die het tegenovergestelde hebben beweerd. Geloven de Zweedse heren professoren die lid zijn van dit comité soms zelf niet meer in het wetenschappelijke van de economie? Dat je de economische theorie ook van je kapper kunt leren?

maandag 14 oktober 2013

Hoe economen redeneren IIIb: waarom vrij verkeer (in de EU) zo goed voor ons is

In 2007 gingen in Nederland de grenzen open voor werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten uit Oost Europa. En ze kwamen in groten getale (zie de bijgaande grafiek). Sommige politici en economen waren daar door verrast, zelfs die politici die een warm voorstander waren voor verdere integratie in Europa. De standaard economische redenering waarom integratie goed voor iedereen is, gaat als volgt. Er zijn productiviteits- en loonverschillen tussen Oost en West Europa, we repten daar al van: in het westen kun je als Europese werknemer veel meer verdienen dan in het oosten. Als met name Oost Europese werknemers bereid zijn te vertrekken naar oorden waar de lonen hoger liggen, migreren zij dus naar West Europa. Als mensen vanuit laag-productiviteitslanden (Polen, PL) vertrekken naar hoog- productiviteitslanden (Nederland, NL) wordt er in NL meer geproduceerd en in PL minder. Het totale effect is echter dat de totale productie in NL en PL te zamen toeneemt. Dat is niet zo moeilijk te beredeneren. In PL is de productiviteit lager dan in NL en dus zal als PL werknemers in NL gaan werken het verlies aan productie in PL lager zijn dan de extra productie in NL. Dus: in NL is productie meer toegenomen dan die in PL is afgenomen. Het totale effect van migratie op de Europese welvaart is dus positief: het totale Europese inkomen stijgt. De PL werknemers die in NL zijn komen werken verdienen meer dan ze in PL verdienden en gaan er dus op vooruit. Voor de PL werknemers die niet geëmigreerd zijn naar NL, maar in PL zijn blijven werken, is er ook goed nieuws. Hun lonen in PL gaan stijgen omdat ze schaarser zijn geworden door het vertrek van sommige van hun collega’s naar NL. Kortom, het openen van de grenzen voor vrij verkeer van werknemers is één grote goed-nieuws show. In de EU, maar in beginsel ook daarbuiten. Openen dus die grenzen voor Turken, Serviërs, Albanezen, Somaliërs. Of niet? 


donderdag 10 oktober 2013

Hoe economen redeneren IIIa: waarom vrij verkeer (in de EU) zo goed voor ons is

Het mooie van de economische wetenschap is dat je er alles wat je maar wilt mee kunt bewijzen, in theorie. En empirisch geldt dat in feite ook, zoals we al diverse malen op dit blog hebben gezien. Economie is een vorm van toegepaste logica. Je begint met een aantal aannames (bijvoorbeeld: werkenden zijn mobiel over de grenzen heen, er zijn geen migratiekosten, werkenden willen hun inkomen maximaliseren), je gaat redeneren volgens de wetten der logica (het gebruik van wiskunde wordt hierbij aanbevolen) en je komt tot een resultaat. Laten we eens het vrij verkeer van werknemers in de EU als voorbeeld nemen. Vrij verkeer is een van de grondbeginselen waarop de EU is gebaseerd omdat het goed voor ons allemaal is. De redenering is simpel. We beginnen met een constatering, namelijk dat de (marginale) productiviteit van werknemers in verschillende lidstaten ongelijk is. In West Europa is die veel hoger dan in Oost Europa. Dat kan aan een heleboel zaken liggen: in West Europa wordt een geavanceerder techniek toegepast dan in Oost Europa; er is meer vraag naar werkenden in West Europa dan in Oost Europa; in West Europa willen mensen niet zo graag werken (minder arbeidsaanbod), enzovoorts. Hoe dan ook, het gevolg van al die oorzaken te zamen is dat in West Europa de lonen hoger liggen dan in Oost Europa. Tot vroeg in deze eeuw had dat geen enkele consequentie, want de Oost Europese landen waren geen lid van de EU en dus konden Poolse werknemers niet makkelijk in West Europa werk gaan zoeken. Dat veranderde toen Oost Europese landen, met Polen voorop, lid werden van de EU. Op grond van het beginsel van vrij verkeer van werknemers mochten  Poolse burgers in West Europa werk gaan zoeken en dat deden ze. Veel politici en ook economen hadden dat tien jaar geleden niet verwacht en eigenlijk ook niet gehoopt. Vreemd eigenlijk, want volgens de standaardredenering zou dat wel goed voor ons (ons West Europeanen) zijn. Waarom? Lees dat de volgende keer.

maandag 7 oktober 2013

Hoe economen redeneren II: waarom de EU wel goed voor ons is

Economen kunnen met een aantal geschikte aannames iedere stelling onderbouwen die ze wensen. We zagen al hoe je kunt laten zien dat een federaal Europa slecht is voor de welvaart. Je kunt dus ook laten zien dat een federaal Europa goed is voor de welvaart. Met hetzelfde voorbeeld: de aankoop van straaljagers. Kijk, zo gaat de redenering, als ons buurland een straaljager koopt, worden wij daar ook door beschermd en dat is dus ook goed voor ons en zo zijn onze straaljagers goed voor ons buurland. Dus, als wij onze aankopen van straaljagers met elkaar coördineren en er rekening mee houden dat we elkaar een plezier doen door straaljagers aan te schaffen, gaan onze beide landen er op vooruit. Omdat coördineren lastig is, zeker als er tien of meer landen bij betrokken zijn, stellen we een federale regering in die deze coördinatie op ons eigen verzoek op zich neemt. Daardoor dalen ook nog eens de besluitvormingskosten, omdat niet telkens opnieuw het wiel uitgevonden hoeft te worden. De federale regering kan voor alle buurstaten in een keer uitvinden dat de JSF de beste is, of niet. Ieder land profiteert er van als een federale staat voor de lidstaten de straaljagers gaat bestellen. De welvaart met andere woorden is groter dan als iedere lidstaat afzonderlijk straaljagers zou aanschaffen. Kortom, een federaal Europa is een briljant idee. Waarom zouden we nog wachten met een federale regering in Europa in te stellen?  

donderdag 3 oktober 2013

Hoe economen redeneren I: waarom de EU niet goed voor ons is

De klassieke economen van de vroeg 19e eeuw zagen de economie als een wetenschap die, uitgaande van ‘ware postulaten’, wetmatigheden afleidde. Men hing een zogeheten deductieve wetenschapsopvatting aan: al redenerend kom je tot een bepaalde stelling. Een nadeel van deze methode is dat geen enkel waarneembaar feit ooit een bevestiging, maar ook geen weerlegging van de theorie kan opleveren. Hedendaagse economen gebruiken deze methode nog steeds enthousiast, vooral in het  publieke debat. Je hangt een redenering op, gebaseerd op een aantal aannames, die niet altijd even duidelijk zijn, en je komt tot een conclusie die onweerlegbaar is. Laat ik een voorbeeld geven. Je kunt de voorkeur voor collectieve goederen weergeven door een vraagcurve die aangeeft hoeveel men van een goed wil bij wisselende prijzen of kosten. Als de kosten van het goed (bijvoorbeeld straaljagers) bekend zijn, dan weet je ook hoeveel men er van wil hebben. In sommige landen houdt ‘de bevolking’ meer van straaljagers dan in andere landen: ofte wel de voorkeur van het collectieve goed is groter. Als de kosten van het collectieve goed overal gelijk zijn, dan zullen de landen met de ‘hoge voorkeur’ dus meer straaljagers aanschaffen dan de landen met een ‘lage voorkeur’. Geen probleem, want in ieder land is de welvaart die men van de straaljagers krijgt optimaal. Maar stel nu dat deze landen besluiten een federatie te vormen, zoals de EU, maar dan met grote besluitvormingsmacht voor de EU-overheid. Die EU-overheid koopt nu de straaljagers aan. Het aantal straaljagers dat deze EU-overheid koopt zal zo’n beetje gebaseerd zijn op de gemiddelde voorkeur. Gevolg: niemand blij, want geen enkel land krijgt het aantal straaljagers dat het wil hebben. De welvaart met andere woorden is kleiner dan als iedere lidstaat afzonderlijk straaljagers zou aanschaffen. Kortom, een federaal Europa is een slecht idee.