donderdag 3 oktober 2013

Hoe economen redeneren I: waarom de EU niet goed voor ons is

De klassieke economen van de vroeg 19e eeuw zagen de economie als een wetenschap die, uitgaande van ‘ware postulaten’, wetmatigheden afleidde. Men hing een zogeheten deductieve wetenschapsopvatting aan: al redenerend kom je tot een bepaalde stelling. Een nadeel van deze methode is dat geen enkel waarneembaar feit ooit een bevestiging, maar ook geen weerlegging van de theorie kan opleveren. Hedendaagse economen gebruiken deze methode nog steeds enthousiast, vooral in het  publieke debat. Je hangt een redenering op, gebaseerd op een aantal aannames, die niet altijd even duidelijk zijn, en je komt tot een conclusie die onweerlegbaar is. Laat ik een voorbeeld geven. Je kunt de voorkeur voor collectieve goederen weergeven door een vraagcurve die aangeeft hoeveel men van een goed wil bij wisselende prijzen of kosten. Als de kosten van het goed (bijvoorbeeld straaljagers) bekend zijn, dan weet je ook hoeveel men er van wil hebben. In sommige landen houdt ‘de bevolking’ meer van straaljagers dan in andere landen: ofte wel de voorkeur van het collectieve goed is groter. Als de kosten van het collectieve goed overal gelijk zijn, dan zullen de landen met de ‘hoge voorkeur’ dus meer straaljagers aanschaffen dan de landen met een ‘lage voorkeur’. Geen probleem, want in ieder land is de welvaart die men van de straaljagers krijgt optimaal. Maar stel nu dat deze landen besluiten een federatie te vormen, zoals de EU, maar dan met grote besluitvormingsmacht voor de EU-overheid. Die EU-overheid koopt nu de straaljagers aan. Het aantal straaljagers dat deze EU-overheid koopt zal zo’n beetje gebaseerd zijn op de gemiddelde voorkeur. Gevolg: niemand blij, want geen enkel land krijgt het aantal straaljagers dat het wil hebben. De welvaart met andere woorden is kleiner dan als iedere lidstaat afzonderlijk straaljagers zou aanschaffen. Kortom, een federaal Europa is een slecht idee.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen