dinsdag 19 november 2013

Hoe Marcel Canoy en Raymond Gradus redeneren over loonmatiging


Loonmatiging is opeens weer een hot issue in Nederland. Afgelopen zaterdag (16 november) stond er in De Volkskrant een opiniestuk van de economen Marcel Canoy en Raymond Gradus met als kop: lonen alleen omhoog bij hogere productiviteit. Zij beginnen met te beweren dat Alfred Kleinknecht, die ze ‘Mister loonstijging’ noemen loonstijging aanbeveelt als doel en dat, zo schrijven ze, “is onzinnig. Je gaat ook niet de economie aanwakkeren door de huizenprijzen te verhogen zonder dat daar economische logica achter schuilt.” Lonen, zo willen ze maar zeggen, zijn het resultaat van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dat kunnen we ook zien omdat “de cijfers wijzen op een hoge [loon]stijging in productieve sectoren en een lage stijging in (…) sectoren die onder druk staan.” Deze passage in hun opiniestuk heeft kennelijk ook als doel de vloer aan te vegen met Arnoud Boot die er immers voor pleitte de lonen te laten stijgen in hoog-productieve sectoren: dat gebeurt al schreeuwen ze hier in koor. Maar een weerlegging van Kleinknecht kun je hun stuk toch niet noemen, hoewel ze dat wel expliciet zeggen. Kleinknecht zal hen antwoorden dat de productiviteit laag is in sommige sectoren omdat de lonen er laag zijn. Ik zou daar aan toevoegen dat als je tegen loonmatiging bent dat nog niet wil zeggen dat je voor loonstijging bent. Door de politiek afgedwongen loonmatiging zal tot een kunstmatige lage productiviteit en een slecht werkende arbeidsmarkt leiden, maar afgedwongen loonstijging zal natuurlijk de werking van de arbeidsmarkt ook niet verbeteren. Het vreemde is dat iedereen het daar over eens zal zijn. Vechten Canoy en Gradus tegen windmolens? Misschien toch niet, want zij vinden dat eerst innovatie moet worden aangewakkerd, “zoals onlangs ook de WRR voorstelde.” Dat voorstel van de WRR was helaas zo ernstig onder de maat dat het een serieus blog over economie niet mag besmeuren.


maandag 18 november 2013

Hoe Arnoud Boot redeneert: waarom loonmatiging slecht/goed voor ons is

Loonmatiging is al zeker veertig jaar een heilige koe in de Nederlandse politiek, sinds het CPB modellen heeft waarin als de lonen stijgen ondernemers hun oudere machines eerder afschrijven en dus de werkloosheid toe- en de welvaart afneemt. Dat is juist goed voor de welvaart, betoogt Alfred Kleinknecht al jaren, want als de ondernemers eerder gaan innoveren, kunnen we hetzelfde werk met minder inspanning doen, of meer werk afleveren met dezelfde inspanning. Kijk naar de VS, aldus nog steeds Kleinknecht. Daar innoveren ze minder, werken ze harder, maar zijn de inkomens per uur lager dan in Europa. Nederland is min of meer de VS van Europa: er is hier door een jarenlange loonmatiging minder geïnnoveerd en moeten we dus harder werken dan onze buren. Ruim een week geleden sprak Arnoud Boot zich ook uit tegen loonmatiging. Boot is hoogleraar economie in Amsterdam en aanwezig in diverse prestigieuze adviesraden (WRR, DNB, SER). Dus als hij dit zegt, dan zal dat wel het einde van de loonmatigingsmythe in Nederland inluiden. Dat bleek overigens wel weer mee (of tegen) te vallen, want werkgeversorganisaties spraken zich direct uit voor een voortgaan op de weg der loonmatiging Zijn argument was overigens gebaseerd op ouderwetse Keynesiaanse mechanismen: hogere lonen leiden tot meer bestedingen en kunnen dus het einde van de crisis inluiden. Bovendien mogen de lonen alleen stijgen in sectoren met een hoge productiviteit. Sectoren met een lage productiviteit moeten lage lonen blijven betalen. Volgens Kleinknecht is dat dus het paard achter de wagen spannen. De productiviteit is immers laag in sommige sectoren omdat de lonen er laag zijn. Dus, als je daar de lonen laag houdt, doet dat de productiviteit geen goed. Als je de lonen in sectoren met hoge productiviteit verhoogt, zal de productiviteit daar nog meer toenemen. Dan krijgen we een economie met een sector voor de briljante hoog-productieve werknemers en een sector voor de kneusjes.

donderdag 14 november 2013

Hoe Alfred Kleinknecht redeneert: waarom loonmatiging slecht voor ons is

In Nederland is loonmatiging decennialang als een soort hogere deugd beschouwd, waar je de hemel op aarde voor terug krijgt. Er waren economen die dat niet geloofden. Daaronder orthodoxe, maar ook minder orthodoxe economen. Een van de meest prominente van die laatste groep is Alfred Kleinknecht die onlangs afscheid nam als hoogleraar economie in Delft. Bij nader inzien past zijn redenering toch wel redelijk in de ‘mainstream’ benadering van economen. Hij zegt namelijk precies hetzelfde als wat het CPB altijd zei, maar verbindt daar een andere conclusie aan. Als je lonen matigt, zo zegt hij, zullen ondernemers niet investeren in efficiëntere machines (zie ook CPB) en zal de werkloosheid dus minder toenemen. Toch is dat slecht nieuws, want doordat dankzij loonmatiging werkgevers weinig behoefte hebben nieuwe technieken in te voeren, blijft de productiviteitsstijging in Nederland achter bij die in landen waar de lonen niet (of minder) worden gematigd. Het buitenland wordt dan juist goedkoper ten opzichte van Nederland doordat daar wel arbeidsbesparende technieken worden ingevoerd. Maar als de Nederlandse ondernemers nu eens toch gewoon inzetten op innovatie met hun goedkope werknemers, waarom zou dat niet lukken? Hier doet Kleinknecht een beroep op een variant van de theorie van het efficiënte loon. Werkgevers die op het loon van hun werknemers beknibbelen zullen daar een gebrek aan loyaliteit van hun werknemers voor terugkrijgen. Werknemers die worden afgeknepen zullen op zoek gaan naar betere banen en een andere werkgever uitkiezen zodra een mogelijkheid zich voordoet. Dat is niet erg bevorderlijk voor innovatie. Voor innovatie heb je loyale werknemers nodig die niet bij het minste of geringste op de loop gaan en de nieuwe uitvindingen meenemen naar de concurrent. Voor werkgevers, met andere woorden, is het onder een regime van loonmatiging niet lonend om te innoveren. Kortom, loonmatiging is hoe dan ook slecht voor de productiviteit. 

woensdag 13 november 2013

Hoe economen redeneren: waarom loonmatiging slecht voor ons is, I

Ik heb loonmatiging altijd een ridicuul idee gevonden om minstens twee redenen. De eerste reden was dat loonmatiging er alleen komt als de markt er om vraagt, dat wil zeggen wanneer er weinig vraag naar arbeid en veel werkloosheid is. Begin jaren 80 was er een economische crisis waarbij de werkloosheid in een paar jaar tijd snel opliep. Vakbonden kunnen in zo’n situatie niet met looneisen komen omdat ze zwak staan. Loonmatiging komt dan dus vanzelf. Dat er in 1982 een akkoord kon worden gesloten, was dus geen overwinning van de Hollandse polder, zoals vaak wordt beweerd, maar een soort symbolische bevestiging van de crisis op de arbeidsmarkt. Een tweede reden om loonmatiging een ridicuul idee te vinden was dat het inging tegen het idee van goed werkgeverschap. Werkgevers die hun werknemers met meer belonen dan ‘de markt’ suggereert, worden op hun beurt door hun werknemers ‘beloond’: ze gaan harder werken. Dit is zowel theoretisch als empirisch bevestigd (al zegt dat niet alles, zie eerdere blogs). Deze redenering wordt ook wel de theorie van het efficiënte loon genoemd die in alle leerboeken sinds jaar en dag wordt behandeld. De twee redenen (namelijk marktconforme lonen en hogere productiviteit door een ‘efficiënt loon’) passen geheel in de ‘orthodoxe’ theorieopvatting. Dat wil zeggen, loonmatiging kun je verwerpen binnen het gangbare idee dat de economie geregeerd wordt door marktprikkels van vraag en aanbod. Er zijn ook economen die zich tegen loonmatiging keren op grond van  meer ‘heterodoxe’ overwegingen, dus redeneringen die zich minder aansluiten bij de gangbare economiebeoefening. Daarover volgende keer meer.    

dinsdag 12 november 2013

Hoe economen redeneren: waarom loonmatiging goed voor ons is


In Nederland is tot op de dag van vandaag (maar misschien moet ik zeggen: gisteren) loonmatiging als een na te streven beleidsdoel beschouwd. De reden daarvoor ligt voornamelijk in een CPB model (voor de fijnproevers: het jaargangenmodel) uit de jaren 70. In dat model zat een mechanisme waarbij als de lonen stegen de oudste machines in fabrieken werden afgestoten en vervangen werden door nieuwere en efficiëntere machines. Die nieuwe machines gebruikten minder arbeid (omdat ze efficiënter waren) en dus nam, als gevolg van de loonstijging de werkloosheid toe. Bij een gematigde loonmatiging zou dat niet gebeuren en er minder werkloosheid optreden. Bovendien, door een gematigde loonontwikkeling zouden ook nog eens de kostprijzen van producten maar beperkt stijgen, zodat de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland zou verbeteren. De export neemt daardoor toe, waardoor het nationale inkomen stijgt. Dus van loonmatiging worden we allemaal rijker. QED. Zo simpel is economie nu, dat je in nog geen 150 woorden kunt uitleggen waarom loonmatiging zo heilzaam is. Meer dan 30 jaar hebben beleidsmakers en economen dit instrument omarmd, vanaf het beroemde akkoord van Wassenaar uit 1982 tussen vakbonden, werkgevers en de regering Lubbers. Ook de politieke partijen konden niet om loonmatiging heen, al was het maar omdat hun verkiezingsprogramma’s door het CPB werden doorgerekend en, volgens het CPB-model dat daarbij gebruikt werd, was loonmatiging nu eenmaal goed voor de werkgelegenheid. Dus, als je mooie cijfers van het CPB wilde krijgen, moest je wel loonmatiging in je verkiezingsprogramma opnemen. Tot gisteren dus.

dinsdag 5 november 2013

Hoe economen redeneren: verhoog de belastingtarieven

In een wereld zonder grenzen wil iedere overheid de meest productieve mensen en bedrijven binnen zijn grenzen hebben. Laten we ons even beperken tot bedrijven: hoe krijgt een overheid die bedrijven binnen? Dat kan op vele manieren, maar een voor de hand liggende methode is door de belastingtarieven zo laag mogelijk te houden. Ierland, bijvoorbeeld, heeft al decennia lang, lage tarieven voor de vennootschapsbelasting (VpB) en heeft, inderdaad, ook heel veel buitenlandse bedrijven mogen verwelkomen. Binnen de EU hebben alle landen de afgelopen 25 jaar de VpB-tarieven flink verlaagd. Economen noemen dit belastingconcurrentie en hoewel economen concurrentie meestal verwelkomen, doemt er hier een probleem op. Als alle landen hun VpB-tarieven met ongeveer eenzelfde percentage verlagen, worden alle landen evenveel aantrekkelijker. Met andere woorden, geen enkel land wordt dan aantrekkelijker, want aantrekkelijkheid is ook hier een relatief begrip. De tarieven zijn inmiddels wel in alle landen lager en de overheden kunnen minder publieke diensten aanbieden dan voorheen. Stel nu eens dat alle overheden met de (te) lage VpB-tarieven bij elkaar gaan zitten en besluiten dat ze allemaal hun VpB-tarieven met eenzelfde percentage verhogen. Zij zullen daar geen enkel bedrijf door verliezen, want de relatieve aantrekkelijkheid van de landen blijft immers nog steeds gelijk. De overheden kunnen echter daarna wel meer publieke diensten aanbieden en dat verhoogt de welvaart. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat als overheden met elkaar concurreren om de beste bedrijven binnen hun grenzen te halen, dit zal leiden tot welvaartsverlies vergeleken met een situatie waarin zij met elkaar afspraken maken over de belastingtarieven. In de EU zouden de overheden die afspraken ook moeten maken (maar dat doen ze niet) of de Europese Commissie zou de VpB-tarieven kunnen bepalen (maar dat doet de EC niet). Omdat dit niet gebeurt, leidt belastingconcurrentie in de EU tot een lagere welvaart dan zou kunnen.