woensdag 13 november 2013

Hoe economen redeneren: waarom loonmatiging slecht voor ons is, I

Ik heb loonmatiging altijd een ridicuul idee gevonden om minstens twee redenen. De eerste reden was dat loonmatiging er alleen komt als de markt er om vraagt, dat wil zeggen wanneer er weinig vraag naar arbeid en veel werkloosheid is. Begin jaren 80 was er een economische crisis waarbij de werkloosheid in een paar jaar tijd snel opliep. Vakbonden kunnen in zo’n situatie niet met looneisen komen omdat ze zwak staan. Loonmatiging komt dan dus vanzelf. Dat er in 1982 een akkoord kon worden gesloten, was dus geen overwinning van de Hollandse polder, zoals vaak wordt beweerd, maar een soort symbolische bevestiging van de crisis op de arbeidsmarkt. Een tweede reden om loonmatiging een ridicuul idee te vinden was dat het inging tegen het idee van goed werkgeverschap. Werkgevers die hun werknemers met meer belonen dan ‘de markt’ suggereert, worden op hun beurt door hun werknemers ‘beloond’: ze gaan harder werken. Dit is zowel theoretisch als empirisch bevestigd (al zegt dat niet alles, zie eerdere blogs). Deze redenering wordt ook wel de theorie van het efficiënte loon genoemd die in alle leerboeken sinds jaar en dag wordt behandeld. De twee redenen (namelijk marktconforme lonen en hogere productiviteit door een ‘efficiënt loon’) passen geheel in de ‘orthodoxe’ theorieopvatting. Dat wil zeggen, loonmatiging kun je verwerpen binnen het gangbare idee dat de economie geregeerd wordt door marktprikkels van vraag en aanbod. Er zijn ook economen die zich tegen loonmatiging keren op grond van  meer ‘heterodoxe’ overwegingen, dus redeneringen die zich minder aansluiten bij de gangbare economiebeoefening. Daarover volgende keer meer.    

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen