donderdag 25 december 2014

Geluk en herverdeling, III

Kunnen we met zijn allen een ‘sociaal geluksgetal’ toekennen aan de verdeling in de economie? Zo’n geluksgetal is het idee achter de sociale welvaartsfunctie. Het lijkt er op dat we zo’n functie geformuleerd hebben: we nemen immers voortdurend beslissingen die consequenties hebben voor de verdeling. Maar, er is een probleem en we hebben het daar al eens eerder over gehad. Het probleem is dat hoewel we het misschien eens zijn over de manier waarop we onze voorkeuren bij elkaar ‘optellen’, bijvoorbeeld door daar in het parlement over te stemmen, het resultaat niet aan een aantal voor de hand liggende basisprincipes voldoet. Dit resultaat staat in de leerboeken bekend als de ‘onmogelijkheidsstelling’ van Kenneth Arrow (1921-) die deze stelling afleidde in zijn 20er jaren. Het basisprobleem dat tot de onmogelijkheid van het afleiden van sociale voorkeuren leidt is dat het onmogelijk is iets te weten te komen over de intensiteit van iemands voorkeuren. Dan weten we ook niet aan wie we die extra euro moeten geven die we ‘gewonnen’ hebben omdat we, op advies van Pareto, verspilling verwijderd hebben. Zo zijn we weer terug bij af: we kunnen de geluksgevoelens van individuen niet vergelijken en dus ook niet op een zinnige manier sociale oordelen over de inkomensverdeling maken. Theoretische economen zaten natuurlijk niet bij de pakken neer: zij probeerden sociale-welvaartsfuncties te maken die niet aan de onmogelijkheidsstelling ‘leden’, maar waarbij je wel de welvaart (of het geluk) van verschillende individuen met elkaar zou kunnen vergelijken. Het bleek dat dit zou kunnen als de manier waarop mensen tot hun keuzen komen in hun leven aan bepaalde (in feite wiskundige) voorwaarden voldoen. En is dat zo? Helaas, we weten het (weer) niet. Precieze informatie over het keuzeproces van individuen hebben we niet, we zien alleen de keuzen die mensen maken (en soms zelf dat niet) en moeten daar dan uit afleiden op wat voor manier mensen beslissingen nemen. Kortom, heeft Sylvester Eijffinger dan toch gelijk dat de economen zich niet meer bekommeren over de ‘sociale welvaart’, dus of de armen niet te weinig en de rijken te veel hebben (of andersom, dat kan theoretisch ook nog)? Wel, de situatie is nog niet hopeloos: wordt dus vervolgd. 

dinsdag 23 december 2014

Geluk en herverdeling, II

Zoals we vorige keer concludeerden kun je, als de welvaart meet op de manier van Pareto, geen oordeel hebben over de verdeling. Stel dat we constateren dat er verspilling is in de economie en we heffen die verspilling op door wat dan ook, dan komen er middelen vrij die we kunnen uitdelen. Als we die extra middelen vervolgens geven aan de familie Heineken, dan is dat een welvaartverbetering volgens Pareto, maar niet-economen zullen zich misschien afvragen of dat nu echt de best mogelijke besteding van de ‘welvaartswinst’ is. Misschien leidt het wel tot welvaartsverlies omdat de arme sloebers, die zien dat de familie Heineken nog rijker geworden is, zich nog armer gaan voelen. Kortom, het Pareto-criterium laat ons hier behoorlijk in de steek. Dat wil overigens niet zeggen dat de manier van welvaart meten volgens Pareto nooit zin heeft. We gaven elders voorbeelden waarbij het Pareto-oordeel nuttige diensten kan bewijzen. Je kunt dus soms wel nagaan of er beslissingen genomen worden die tot verspilling leiden. Maar in deze tijd, nu de ongelijkheid onder werkenden en tussen werkenden en vermogensbezitters aan het toenemen is, willen we weten aan wie we iets extra’s moeten geven en ten koste van wie. Dan moeten we dus op een of andere manier verschillende verdelingen van de welvaart tussen individuen en gezinnen met elkaar vergelijken. Zouden we niet, net als individuen doen met hun ‘individuele nut’, aan iedere mogelijke verdeling met zijn allen een ‘sociaal geluksgetal’ kunnen toekennen en dan die verdeling nemen met het hoogst mogelijke getal? Dit is het idee achter de sociale welvaartsfunctie. We hebben daar eerder over gesproken. Volgens dit idee hoeven we het er alleen maar over eens te worden hoe al onze verschillende voorkeuren over de verdeling bij elkaar opgeteld hoeven te worden om tot ‘sociale voorkeuren’ te komen. Wordt vervolgd

zondag 21 december 2014

Geluk en herverdeling, I

We gaan op verzoek van Sylvester Eijffinger na of de interpersonele nutsvergelijking uit de economische wetenschap is verdwenen. Die vergelijking is altijd een heikel onderwerp geweest onder economen. Inderdaad, zoals Eijffinger min of meer stelt, raakte het onderling vergelijken van nutten in de tijd van Vilfredo Pareto (1848-1923) in onbruik. Dit hing samen met de toenmalige conclusie dat nut een niet-meetbare grootheid is. Nut is een centraal begrip in de economische theorie. Het zegt iets over hoe ‘tevreden’ of hoe ‘gelukkig’ mensen zijn met hun leven, gegeven de keuzen die ze gemaakt hebben. Die keuzen kunnen over van alles gaan: over de aanschaf van appels en peren (zoals we eerstejaarsstudenten als voorbeeld blijven geven), de carrière, de partner, de gift (≥0) aan de kankerbestrijding, enzovoort. Al die keuzen kunnen samengevat worden in een getal, dat we (= wij economen) dan het nut noemen. De theorie gaat er vanuit dat mensen in staat zijn voor alle mogelijke keuzen ‘het nut’ te berekenen en dan die combinatie te kiezen die het hoogst mogelijke nutsgetal oplevert. Het nutsgetal zegt op zichzelf niets: als je voor een enkel persoon alle nutsgetallen met eenzelfde getal vermenigvuldigt, verandert er helemaal niets aan de keuze die hij/zij maakt. Het gaat er dus alleen maar om dat iemand zijn eigen keuzen met elkaar kan vergelijken. Maar, als het nutsgetal alleen maar gebruikt kan worden om verschillende keuzen van één bepaald persoon te kunnen rangschikken, betekent dat ook dat je de ‘optimale’ nutsgetallen van verschillende personen niet met elkaar kunt vergelijken. Nut is, zoals al gesuggereerd, zoiets als geluk. Voor jezelf kun je misschien nog wel bepalen onder welke omstandigheden je jezelf het gelukkigst voelt, maar het is vrijwel onmogelijk om te bepalen of je gelukkiger bent dan iemand anders. In het welvaartsbegrip van Pareto (zie hier voor een simpele uitleg) hoeft die vergelijking dan ook niet gemaakt te worden. Je hoeft alleen maar na te gaan of er geen middelen verspild worden. Als dat wel zo is, kan de welvaart vergroot worden door de verspilling op te heffen en de vrijgekomen middelen aan iemand te geven. Aan wie dan? Ja, daar heeft Pareto inderdaad geen mening over (wordtvervolgd).

zondag 26 oktober 2014

Thomas Piketty: r > g

Mijn allereerste onderzoek vlak na mijn afstuderen in 1976 ging over inkomensongelijkheid. Ik wilde nagaan of door de toename van het opleidingsniveau van de bevolking de inkomensongelijkheid zou afnemen. Zoals ik eerder vermeldde, mislukte dat onderzoek. Er kwam niet uit wat ik hoopte (toen wist ik nog niet dat ieder empirisch resultaat een resultaat was). Twaalf jaar later schreef ik een proefschrift over overheidspensioenen. Eigenlijk ging het proefschrift over wat ik toen de Aaron-conditie noemde, namelijk over de verhouding tussen de opbrengst op beleggingen (r) en de stijging van de lonen (g). Wat ik nog niet zo goed wist was dat r ‘normaal gesproken’ groter moet zijn dan g.
Waarom r>g moet gelden, is eigenlijk heel eenvoudig in te zien. De redenering gaat ongeveer als volgt. Beleggingen komen van mensen die geld over hebben (zij sparen) en dat geld kan gebruikt worden voor de financiering van schulden, bijvoorbeeld de hypotheken van gezinnen. Gezinnen hebben een looninkomen dat dus stijgt met g. Als g groter zou zijn dan r, dan zal de schuld als percentage van het gezinsinkomen dalen. Als je namelijk nooit iets aflost op je schuld, stijgt de schuld met de rente die je over die schuld moet betalen. Die rente is bij benadering gelijk aan de opbrengst op beleggingen, ofte wel r. Als je zonder ooit iets af te lossen op je schuld toch ziet dat die schuld in vergelijking met je inkomen steeds minder waard wordt, dan wordt het wel heel aantrekkelijk om schulden te maken en heel onaantrekkelijk om geld uit te lenen of te beleggen. Met andere woorden, als r kleiner is dan g zal er steeds meer geleend en steeds minder gespaard worden. Maar als niemand meer wil sparen, kan er ook niets meer worden uitgeleend. Dat betekent dat r moet gaan stijgen om sparen (en dus beleggen) weer aantrekkelijk te maken, totdat r groter is dan g (r>g).
         Thomas Piketty, een 43-jarige Franse econoom, is dit jaar tot wereldroem gekomen door een boek van bijna 600 bladzijden (getiteld: ‘kapitaal in de 21ste eeuw’) dat als belangrijkste boodschap heeft dat in deze eeuw de vermogensongelijkheid in de westerse wereld weer dezelfde (draconische) vorm aanneemt als in de 18e en 19e eeuw. Deze boodschap baseert hij op zeer omvangrijk onderzoek van statistieken in diverse landen en op de ongelijkheid r>g die in een groot deel van de 20e eeuw niet gold, maar nu (weer) wel. Omdat r>g zien mensen met vermogen (de rijkaards) hun vermogen harder groeien (met r) dan het inkomen van de mensen die met werken hun brood moeten verdienen. Je hoeft dus niet eens, zoals Piketty, een dik boek te schrijven om in te zien dat het vermogen van kapitalisten harder stijgt dan het inkomen van de mensen met looninkomen. Als je weet dat r>g geldt, volgt dat direct. Maar het is even goed wel jaloers makend dat Piketty twee van mijn vroegere hobby’s (inkomensongelijkheid en sparen versus AOW) in een boek verenigt en daar beroemd mee wordt. Maar het is dan ook wel een heel goed boek. 

donderdag 16 oktober 2014

De ontwikkeling van de AOW-uitgaven (2010-2060): niet echt

Zoals we al vermeld hebben zou volgens het CPB bij een zogenaamd constant arrangement de AOW tot grote problemen voor de overheidsfinanciën leiden. Dat wil zeggen dat als de AOW-uitkering welvaartsvast zou zijn, ofte wel even hard zou stijgen als de gemiddeld verdiende lonen van werknemers, het beslag dat de AOW op het nationaal inkomen legt, heel snel zou toenemen. Hoe snel, dat zien we in de tabel. In deze tabel is aangenomen dat het nationaal inkomen 2% per jaar stijgt. Als de AOW welvaartsvast is, stijgt de AOW-uitkering (bij benadering) even hard als het nationaal inkomen. De gevolgen staan in de tweede en de derde rij (rode cijfers). We zien dat als percentage van het nationaal inkomen de AOW-uitgaven stijgen van bijna 5% in 2010 tot 8% in 2040. Ter vergelijking staan in de vierde rij de percentages die door het CPB (2010) worden gegeven.
Laten we nu aannemen dat de AOW-uitkering alleen de contractuele loonstijging volgt. Dit is in feite nog een optimistische aanname omdat, zoals we gezien hebben, de AOW in de jaren 80 en 90 zelfs niet eens de contractloonstijging volgde. Een belangrijke vraag is nu de volgende. Als de gemiddeld verdiende lonen met 2% per jaar stijgen, hoeveel van die stijging is het gevolg van cao-afspraken (dus: contractuele loonstijging) en hoeveel daarvan komt doordat de beroepsbevolking steeds beter opgeleid is, er promoties gemaakt worden, enz (dus: incidentele loonstijging). Het is moeilijk te voorspellen hoe dat de komende dertig jaar zal uitpakken. Mijn schatting is dat het ongeveer 50/50 zal zijn. Dus, per jaar stijgen de lonen met 1% door cao-afspraken en met 1% door incidentele stijgingen. Als we de gevolgen daarvan doorrekenen voor de AOW, krijgen we rij 5 en 6 in de tabel (groene cijfers). Zoals we zien, stijgen de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen maar in beperkte mate, namelijk van 4,9% in 2010 tot 6% in 2040. Daarna daalt dit percentage, omdat dan de ‘grijze druk’ alweer begint af te nemen. Uiteraard is dit resultaat afhankelijk van de veronderstelde stijging van de contractlonen. Als we aannemen dat de contractlonen met 1,5% (en het incidenteel dus met 0,5%) per jaar stijgen, dan is het resultaat voor de AOW-uitgaven minder gunstig. We zien dat in de oranje cijfers van de laatste rij (waar de verhouding contractloon/incidenteel loon op 75/25 is genomen).
Wat de werkelijke ontwikkeling zal zijn kunnen we nu nog niet weten. We hebben gezien dat de AOW-uitgaven in de afgelopen 40 jaar als percentage van het nationaal inkomen constant zijn gebleven. Dat zou in de komende 30 jaar ook kunnen gebeuren. Hoe dan ook, het constante arrangement voor de AOW zoals het CPB dat heeft doorgerekend weerspiegelt op geen enkele manier de feitelijke ontwikkeling in het verleden. Mijn eigen inschatting is dat de groene cijfers in de tabel meer de werkelijke ontwikkeling zal worden dan de oranje of rode cijfers. Kunnen we dan zeggen dat de verhoging van de AOW-leeftijd achteraf niet nodig is geweest? Zeker, zoals we een volgende keer laten zien.

zondag 12 oktober 2014

De ontwikkeling van de AOW-uitgaven (1970-2010): echt en niet echt

In de ‘vergrijzings-
sommen’ die het CPB geregeld gemaakt heeft, speelt de AOW uiteraard een belangrijke rol. Volgens het CPB zou bij een zogenaamd constant arrangement de AOW tot grote problemen voor de overheidsfinanciën leiden. Dat wil zeggen dat als de AOW-uitkering welvaartsvast zou zijn, ofte wel even hard zou stijgen als de gemiddelde lonen van werknemers, de overheidsschuld van de overheid uit de hand zou lopen. De reden voor dat uit de hand lopen was natuurlijk de vergrijzing. Het aantal 65+-ers zal tot 2040 met ongeveer 75% toenemen. Voordat we gaan kijken hoe serieus deze boodschap van het CPB was, is het goed om eerst te kijken naar de ontwikkeling van de AOW in de afgelopen 40 jaar. In die periode is het aantal 65+-ers met veel meer toegenomen dan de verwachte toename voor de komende 30 jaar. In die zin ligt het ergste van de vergrijzing al achter ons. Heeft dat tot het ontsporen van de uitgaven geleid? Kijk daarvoor eens naar de bovenstaande tabel. De groene cijfers in die tabel geven de feitelijke ontwikkeling, de rode cijfers geven de ontwikkeling van de AOW weer als die welvaartsvast zou zijn geweest volgens de definitie van het CPB.Wat zien we? Ten eerste dat de afgelopen 40 jaar het aantal AOW-ers bijna verdrievoudigd is, van 1,1 naar 2,9 miljoen. Ten tweede zien we dat de feitelijke AOW-uitgaven in lopende euro’s flink zijn toegenomen (van 2,4 in 1970 naar 28,7 miljard euro in 2010), maar als je die bedragen relateert aan het nationaal inkomen van de diverse jaren, dan blijkt dat de AOW-uitgaven tamelijk constant zijn gebleven. We zien slechts een lichte stijging, namelijk van 4,1% naar 4,9%. Dus, ondanks die enorme toename van het aantal AOW-ers gebeurt er vrijwel niks met de AOW-uitgaven. Hoe dat komt, weten we al. De reden is eenvoudigweg dat de AOW niet welvaartsvast is geweest de afgelopen 40 jaar. Dat zien we ook aan de rode cijfers in de tabel. Die cijfers laten zien wat er gebeurd was als de AOW-uitkering wel welvaartsvast was geweest, dus mee was gestegen met de verdiende lonen. Dan nemen die uitgaven inderdaad dramatisch toe. We zouden dan nu al zo’n 12% van het nationaal inkomen aan de AOW moeten uitgeven. In feite is het nog niet eens 5%. Toch is het dramatische scenario nu juist wat het CPB ons de afgelopen 15 jaar steeds heeft voorgerekend. Komen we dus op terug. 
  

zaterdag 11 oktober 2014

Vergrijzing met de constante arrangementen van het CPB

Dit voorjaar kwam de laatste vergrijzingsstudie van het CPB uit in een lange rij van soortgelijke studies (achtereenvolgens uitgebracht in 1998, 2000, 2006, 2010 en 2014). Al die studies gingen over de vraag of het mogelijk zou zijn in de toekomst van dezelfde collectieve voorzieningen te genieten bij gelijkblijvende belastingtarieven. Dus, stel dat de diensten van de politie per inwoner, de subsidie en het aanbod van onderwijs per inwoner, de uitkeringshoogten, enz., allemaal op hetzelfde niveau blijven. De vraag is dan of in de toekomst de belastingen niet verhoogd hoeven te worden, terwijl we weten dat er dan meer ouderen zijn dan nu? Het CPB noemde de aanname van gelijkblijvende voorzieningen het geval van 'constante arrangementen’. Voor de sociale  zekerheid, met name de AOW, kwam deze aanname van constante arrangementen erop neer dat de uitkering in een vaste verhouding zou blijven staan tot de verdiende lonen. We zouden dit een welvaartsvaste AOW kunnen noemen. Een welvaartsvaste AOW is altijd een vast uitgangspunt in de politieke discussie geweest, maar werd niet altijd ondubbelzinnig gedefinieerd. De commissie financiering oudedagsvoorziening, de zogenaamde commissie Drees, publiceerde in 1987 het rapport ‘gespiegeld in de tijd’ waarin welvaartsvastheid werd gedefinieerd als de aanpassing van de bruto-uitkeringen aan de contractlonen. De zogenaamde incidentele loonstijging werd expliciet buiten de definitie gehouden. Op basis van deze definitie berekende Drees c.s. dat de stijging van de AOW-uitgaven beperkt zou zijn. Deze conclusie werd gedeeld door het toenmalige kabinet. Latere kabinetten hebben deze definitie van welvaartsvastheid van de AOW-uitkeringen (wel expliciet aanpassen aan de contractloonstijging, niet aan de incidentele loonstijging) nooit expliciet ter discussie gesteld. In de figuur wordt weergegeven hoe het bruto minimumloon, waar de bruto AOW aan gekoppeld is, zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de contractuele loonstijgingen in de afgelopen 40 jaar (gemaakt door Masterstudente Nadine Knoop, gebaseerd op CBS-data). In die figuur is de grijze lijn de procentuele verandering in het bruto-minimumloon, terwijl de zwarte lijn de procentuele verandering in de bruto AOW-uitkering voorstelt. In de jaren 70 was de ontwikkeling van de minimumuitkeringen gunstiger dan de ontwikkeling van de contractlonen. In de overige perioden was de contractloonstijging meestal hoger dan de stijging van de minimumuitkeringen. Alleen in het begin van deze eeuw was er een uitzondering toen de minimumuitkeringen kortstondig sneller stegen dan de contractlonen. Conclusie, zelfs volgens de beperkte definitie van de commissie Drees is de AOW zelden welvaartsvast geweest. Vanaf 1984 tot aan het einde van de jaren 1990 lag de stijging van de AOW voortdurend beneden de contractuele loonstijging. De laatste paar jaar volgt de AOW ongeveer het contractloon, maar zeker niet het verdiende loon (dat is inclusief incidentele loon). Toch gaat het CPB in al zijn vergrijzingssommen er van uit dat de AOW wel de verdiende lonen volgt (en komt dan tot de conclusie dat de bruto AOW-uitgaven fors gaan toenemen). Is dat niet bizar? Ga hier verder.   

zondag 22 juni 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over allochtone ondernemers (oordeel)

Zoals we in onze samenvatting van dit artikel al zeiden, vinden de auteurs van dit artikel de steekproef die ze gebruiken zelf ook wel wat klein. Dat lijkt me een understatement. Als we 24 Marokkaanse ondernemers ondervragen waarvan er slechts één verlies lijdt, hoe kunnen we dan een algemene conclusie trekken over ‘succesfactoren’ door middel van regressieanalyse? Je hoeft geen doorgewinterd statisticus te zijn om te kunnen concluderen dat met zo weinig waarnemingen de variatie in de variabelen niet voldoende kan zijn voor significante resultaten. Bovendien bestaan de variabelen die meegenomen worden in de regressie (namelijk de antwoorden van de ondernemers op de vragen die de auteurs hen gesteld hebben) uit meerdere dimensies. De variabele ‘motieven en drijvende krachten (MOK)’, bijvoorbeeld bestaat uit: de bron voor hun kapitaal, of ze een ondernemingsplan hebben, of ze eerder in dezelfde sector gewerkt hebben, waar ze hun informatie over de markt vandaan halen en wat ze voorheen deden. Die verschillende factoren worden (kennelijk) tot één variabele gereduceerd, maar op welke manier dat wordt gedaan, wordt niet onthuld. Hetzelfde geldt voor de prestaties van de onderneming. Desondanks krijgen Kourtit en Nijkamp significante uitkomsten. Ze blijken zelfs in staat om meerdere causale verbanden op het spoor te komen. Hoe dat kan is raadselachtig. In ieder geval kan op basis van hun resultaten niet geconcludeerd worden dat allochtone ondernemers “meer open” zijn of voortdurend op zoek naar “nieuwe kansen”. De conclusie die ik na lezing uit dit artikel kan trekken is: succesvolle Marokkaanse ondernemers zijn succesvol. De redactie van het tijdschrift waar dit artikel in is gepubliceerd, las er kennelijk meer in.

Naschrift: het hier besproken artikel was ook hoofdstuk 6 uit de oude versie van Kourtit’s proefschrift. In de nieuwe versie van haar proefschrift staat een andere versie waar gebruikt wordt gemaakt van een groter aantal waarnemingen en een ander empirisch model. Ik ben niet overtuigd dat hiermee de hierboven geuite bezwaren zijn weggenomen. Misschien kom ik er nog eens op terug.

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over allochtone ondernemers (samenvatting)

Kourtit en Nijkamp hebben, zo zagen we eerder, een grote belangstelling voor migratie. Zij zien migratie als een positief verschijnsel. Het ligt daarom voor de hand dat ze ook vinden dat allochtone ondernemers een positieve bijdrage leveren aan de economie. De titel van het hier te bespreken artikel suggereert dit inderdaad. Allochtone ondernemers blijken, volgens de auteurs in hun inleiding, over uitstekende ondernemersvaardigheden te beschikken en zijn daarom verantwoordelijk voor een bloeiende MKB-sector in vele steden (p.377). Iets verderop (p. 379) schrijven de auteurs dat creatief ondernemerschap onder migranten een van de meest uitdagende en snelst stijgende sectoren onder migranten is en dat dit bijdraagt aan culturele integratie en diversiteit onder ondernemers in moderne steden. Het gaat hier vooral om de jongere generatie die “meer open is en op zoek naar nieuwe kansen buiten de traditionele sectoren” (t.a.p., p. 382). Dit zijn zware claims, hoe worden die waar gemaakt? Door een vragenlijst af te nemen van een “tamelijk representatieve” steekproef  van 24 ondernemers van Marokkaanse origine (p. 384) werkzaam in de professionele dienstverlening (zoals ICT en consultancy). Van deze 24 ondernemers wordt vervolgens getoond wat zij geantwoord hebben op de verschillende vragen. Zo boekt 2/3 van de ondernemers winst in het afgelopen jaar en hebben ze het meest Nederlanders als klant. Verder blijken de meesten, namelijk 71% van de ondervraagden, als werknemer in dezelfde sector gewerkt te hebben voor ze zelfstandig werden. Factoren als de laatste worden ‘motieven en drijvende krachten (hier afgekort als MOK)’ genoemd. Daarbij horen ook: waar men zijn/haar kapitaal voor de onderneming vandaan heeft, of men een ondernemingsplan heeft, en dergelijke. Tenslotte maken de auteurs een ‘structureel relationeel model’ dat statistisch wordt geschat. Daarbij zijn de MOK een van de ‘verklarende variabelen’ voor de prestaties van het bedrijf en deze blijken een positief effect te hebben. Dus, hoe meer (of hoe beter, dat is niet duidelijk) de MOK des te beter de prestaties van het bedrijf. De auteurs eindigen hun paper met wat ze in de inleiding al aankondigden, namelijk “de algemene resultaten van onze studie laten zien dat de jongere generatie van Marokkaanse ondernemers meer open is en op zoek naar nieuwe kansen (opportunities) buiten de traditionele markten. (t.a.p., p. 398).” Wel wordt aangetekend dat de steekproef tamelijk klein is en er maar naar één punt in de tijd wordt gekeken. (Ga verder naar het oordeel).

zaterdag 21 juni 2014

De verhoging van de AOW-leeftijd volgens Lans Bovenberg

Opeens was daar dus in het crisisjaar 2008 het voorstel om de AOW-leeftijd te verhogen. De crisis maakte alles bespreekbaar. Ook een maatregel, die zinloos, duur en oneerlijk is, zoals ik schreef in De Volkskrant van 9 februari 2009. Daar dacht natuurlijk niet iedereen zo over. Onder Nederlandse economen was er een opvallende eensgezindheid over de wenselijkheid van een hogere AOW-leeftijd. Lans Bovenberg was een van de meest bekende pleitbezorgers. Hij was lid geweest van de commissie Bakker. Hoewel econoom, vond Bovenberg dat de overheid het aanbod op de arbeidsmarkt moet reguleren via de AOW-leeftijd: Er komen immers tekorten in de zorg en het onderwijs aan. Of een verhoging van de AOW-leeftijd die tekorten oplost, is maar de vraag. Het ligt niet erg voor de hand dat ouderen langer kunnen worden ingezet in ‘zware’ sectoren als de zorg en het onderwijs. Maar Bovenerg wist het zeker en economen die iets anders beweerden waren valse profeten. We zijn vijf jaar verder. De AOW-leeftijd is inmiddels verhoogd en zal binnen een paar jaar voor iedereen 67 jaar zijn in plaats van 65 jaar. Wat is het effect tot nu toe? Het aantal werkloze 55-plussers is in twee jaar tijd toegenomen van 68.000 in 2012 naar 104.000 in 2014. Zeventig procent van de 57-plussers die werkloos raakt, vindt geen baan terwijl ze in de WW zitten, terwijl mensen jonger dan 57 jaar veel makkelijker aan een nieuwe baan komen. Bovenberg zal nu wel zeggen dat dit korte-termijn effecten zijn; op de lange termijn, als mensen meer tijd en geld hebben vrij gemaakt voor scholing, wordt alles beter. Dan kan er beter gebruik worden gemaakt van het ‘menselijk kapitaal’ waarover ouderen nog beschikken. Laten we Bovenberg het voordeel van de twijfel geven en aannemen dat hij gelijk heeft. Dan nog kunnen we met een verwijzing naar een bekende uitspraak van Keynes zeggen dat op de lange termijn van Bovenberg de huidige werkloze ouderen allemaal al dood zijn. 

woensdag 18 juni 2014

Langer werken door ouderen


Frank Kalshoven die wil dat wij langer gaan werken, heeft dat natuurlijk niet zelf bedacht. Tijdens de kredietcrisis van 2008/2009 werd opeens de AOW-leeftijd ter discussie gesteld. We leven langer dan 50 jaar geleden, zo rond de invoering van de AOW in Nederland, en dus zou verhoging van de AOW-leeftijd voor de hand liggen. Dit werd in Nederland al eerder voorgesteld, namelijk door de zogeheten commissie Drees in de jaren 80. Als er besloten zou worden tot een verhoging van de AOW-leeftijd, dan zou die verhoging volgens deze commissie in 2010 moeten ingaan. In dat geval zou de naoorlogse 'babyboom'-generatie, die uiteindelijk door zijn omvang en het geringe kindertal verantwoordelijk is voor de demografische kosten van de vergrijzing, zelf de kosten van de vergrijzing opvangen. De mededeling van de commissie Drees over de AOW-leeftijd werd door de politiek voor kennisgeving aangenomen. Alleen voor D66 was verhoging van de AOW-leeftijd jarenlang een geliefd programmapunt. Wat er echter feitelijk gebeurde was dat de AOW-uitkeringen steeds meer achter gingen lopen op de welvaartsgroei van werkenden. Vervolgens kwam de zogeheten commissie Bakker in 2008 met een rapport dat heette naar een toekomst die werkt. Deze commissie was eigenlijk ingesteld door het kabinet om de dreigende politieke onenigheid over het ontslagrecht te bezweren. Daar ging het rapport nauwelijks over: Er werden dramatische tekorten op de arbeidsmarkt voorspeld, waarvoor, onder meer, verhoging van de AOW-leeftijd een remedie zou zijn. Als er een probleem op een markt is (tekorten) stelt een econoom meestal voor de markt ‘beter’ te laten werken. In het geval van tekorten op de arbeidsmarkt zou vrije loonvorming de tekorten vanzelf laten verdwijnen. Er zaten economen in die commissie (Oosterwijk, Bovenberg), maar die vonden kennelijk de markt niet de ideale oplossing. De verhoging van de AOW-leeftijd was maar een van de vele voorstellen van de commissie. Al die voorstellen leken een zachte dood te sterven, zoals gebruikelijk bij dit soort commissies. Maar dat voorstel over de AOW dus niet, want daar gingen, naast economen, politici mee aan de haal toen de kredietcrisis echt uitbrak.

zondag 8 juni 2014

Waarom langer werken niet tot meer groei leidt

Volgens Frank Kalshoven moeten wij Nederlanders langer gaan werken om zodoende de economische groei omhoog te stuwen. Nederland, groeiland. We zagen al eerder dat Alfred Kleinknecht de contraproductieve effecten van loonmatiging aan de kaak had gesteld. Loonmatiging maakt werkgevers lui: er is geen grote prikkel om nieuwe (wellicht arbeidsbesparende) technieken in te voeren. Dit kun je positief nieuws vinden, met de vaderlandse politici in het spoor van het CPB, maar je kunt dat ook helemaal geen goed nieuws vinden als je de ontwikkeling van de economie op de wat langere termijn op het oog hebt. Het voorstel van Kalshoven is in feite niet veel anders dan een (indirecte) loonmatiging. Als de werkweek 60 uur zou worden, krioelt het voortdurend van werknemers in de fabriek, want, aannemende dat we de ‘vrije zaterdag’ niet willen afschaffen, wordt de werkdag 12 uur. Een ondernemer die zo lang werknemers over de vloer heeft, zal ook weinig behoefte hebben op arbeid te besparen. Er is immers arbeid genoeg. Bovendien zal de wet van vraag en aanbod zich op de arbeidsmarkt doen voelen. Door het toenemende arbeidsaanbod kunnen de lonen dalen en dan treedt ook nog eens het Alfred-Kleinknechteffect op. Zowel meer arbeid als dalende lonen leiden tot minder innovatie en dus minder economische groei. We krijgen dus precies het omgekeerde van wat Kalshoven wil. 

woensdag 4 juni 2014

Frank Kalshoven: we moeten langer en harder werken

Volgens Frank Kalshoven moeten wij Nederlanders meer gaan werken, meer uren maken, jonger beginnen met werken en veel later met pensioen gaan. In De Volkskrant van 24 mei 2014 zei hij dat de cao’s weer uit moeten gaan van een 60-urige werkweek. Letterlijk zei hij: “De economische groei zal omhoog gestuwd worden door meer uren te werken en meer te investeren, vooral in menselijk kapitaal.”  Economische groei bereik je volgens Kalshoven eenvoudig door zowel slimmer als harder te werken. Zie de VS. Maar kijk nu eens naar de bijgaande grafiek. Deze is afkomstig van de afscheidsrede van Alfred Kleinknecht aan de TU Delft. Deze grafiek laat de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit zien in de Angelsaksische landen en de continentale EU-landen.  De arbeidsproductiviteit stijgt door verbetering in en vernieuwing van productietechnieken. Technische ontwikkeling is hier het sleutelwoord. Wat opvalt is dat die ontwikkeling kennelijk succesvoller is op het Europese continent dan in de Angelsaksische landen. In die landen, maar vooral in de VS, wordt echter wel heel hard gewerkt. Hoe kan dat: hard werken en toch geen hoge groei? Economen hebben het traditioneel moeilijk om een verklaring te geven voor technische ontwikkeling. Een groot aantal economen beschouwt groei als een gegeven waar de theorie niets over te zeggen heeft, een ander (kleiner) deel van de economen denkt dat deze groei verklaard kan worden omdat investeringen in menselijk kapitaal (dus onderwijs) tot een soort vliegwieleffect leiden. Als een deel van de bevolking goed onderwijs heeft gevolgd, wordt de rest van de bevolking ook productiever. Bovendien kunnen we dan handiger de aanwezige hoeveelheid machines benutten, zonder dat we nieuwe machines hoeven neer te zetten. We krijgen groei als het ware deels voor niets. Kalshoven lijkt meer van het eerste standpunt uit te gaan: technische vooruitgang komt uit de lucht vallen en als we maar langere werkdagen, kunnen we er nog meer van uit de lucht grijpen. Deze redenering is in strijd met de bijgaande grafiek. Volgende keer bespreken we daarom betere redeneringen over (hard) werken en economische groei. 

zondag 4 mei 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over de (positieve) effecten van migratie (beoordeling)

Zoals we zagen doen de auteurs twee analyses met de naar hun idee belangrijkste socio-economische grootheden die door migratie worden beïnvloed. Eerst geven zij ‘kwalitatieve’ gewichten aan deelvariabelen die samenhangen met die grootheden. Vervolgens vullen ze die zelfde variabelen ‘kwantitatief’ in met meningen van deskundigen. Wat die eerste analyse betreft, het is niet duidelijk hoe ze aan hun kwalitatieve inschattingen komen. Het is evenmin na te gaan hoe ze uit deze inschattingen conclusies kunnen trekken, en nog minder waarom die conclusie vrijwel allemaal sterk positief gekleurd zijn. Dezelfde opmerkingen kunnen gemaakt worden bij de ‘kwantitatieve’ analyse. Die analyse zelf is op een ridicule wijze in elkaar gezet. De meningen van 13 experts blijken doorslag gevend. Wie deze 13 experts zijn, wordt niet vermeld. We weten dus niet welke waarde wij aan hun oordeel moeten hechten, of hun oordeel overeen komt met empirische schattingen, waarom zij maar één subgrootheid als belangrijk mochten aanwijzen, waarom niet ook honderden andere ‘deskundigen’ zijn aangeschreven, enzovoorts. Het valt, kortom, niet serieus te nemen dat het oordeel van 13 willekeurige deskundigen over een ook al willekeurig in elkaar gezette lijst van variabelen bepalend zou kunnen zijn voor zowel de wereldwijde effecten van immigratie als de wenselijke beleidsreacties.
         Na dit artikel doorgeworsteld te hebben is maar één conclusie mogelijk. De auteurs willen graag uit hun onderzoek positieve conclusies trekken over de effecten van migratie. Ze doen dat dan ook voortdurend, maar meestal komen de gevolgtrekkingen uit de lucht vallen en hebben nauwelijks enige band met de ‘data’.  De hele exercitie heeft weinig met wetenschappelijk onderzoek te maken, maar wel heel veel met wishful thinking.

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over de (positieve) effecten van migratie (samenvatting)

Dit artikel van K&N begint met de opmerking dat de positieve effecten van immigratie vaker onderzocht zouden moeten worden. Dat is bijna een politiek statement, omdat het suggereert dat de negatieve effecten te veel belicht worden. Inderdaad de auteurs steken hun uitgangspunt niet onder stoelen of banken dat “migranten een bron voor creatieve mogelijkheden vormen voor de lokale economie” (t.a.p., p. 168, mijn vertaling). Er zijn weliswaar ook negatieve effecten, maar de auteurs trekken uit “een uitgebreide literatuur” de conclusie dat de positieve effecten per saldo domineren. Bovendien zijn de negatieve effecten alleen maar van tijdelijke aard. Vervolgens zeggen K&N ‘strategische keuzeanalyse’ te gaan toepassen om “het socio-economisch belang van migratie voor de maatschappij, nationaal of lokaal, te analyseren” (p.171). Voor het analyseren van de effecten van migratie worden eerst vijf socio-economische grootheden (arbeidsmarkt, economische ontwikkeling, externe effecten, culturele diversiteit, publieke sector) geïdentificeerd waarop migratie effect heeft. Bij ieder van die grootheden wordt een lijst van subvariabelen gemaakt, die een kracht of een zwakte, dan wel een kans of een bedreiging voorstellen, en er wordt een indicatie gegeven van de effecten en de gewichten van die subvariabelen. K&N beweren dat die ‘effecten en gewichten’ uit de “previous studies” zijn afgeleid. Daarna volgt per socio-economische grootheid een korte bespreking van de mogelijke effecten van migratie en zij concluderen dat “dit alles een zeer positief effect van migratie schildert” (p. 178). Desondanks, als bestuurders berekenen welke maatregelen te nemen ten aanzien van specifieke etnische groepen, zij de neiging hebben “kortzichtig” te zijn aangezien zij toekomstige opbrengsten, die de initiële kosten kunnen compenseren, negeren.
         Vervolgens worden per socio-economische grootheid door N&K scores toegekend aan de diverse zwakte- en sterktevariabelen en de kansen en bedreigingen. Die zijn bepaald door aan 13 ‘deskundigen’ te vragen welke van deze variabelen zij het belangrijkste vinden als het gaat om de effecten van migratie. Van de gevonden ‘waarden’ worden dan plaatjes gemaakt waaruit de lezer kan zien wat de deskundigen belangrijk vinden. Bij deze plaatjes plaatsen de auteurs algemene opmerkingen in de trant van: “het stimuleren van diversiteit van migratiestromen (…) levert een positieve bijdrage aan de overheidsfinanciën (…) van de ontvangende regio’s en landen” (p.191). Ga verder naar mijn oordeel.

donderdag 24 april 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: de statistiek van creatieve kampioenen (beoordeling, slot)

We zagen al dat er een endogeniteitsprobleem (ofte wel een kip-ei probleem is) is bij de statistische toetsing van het model van K&N. Helaas, zijn er nog veel meer problemen die samengaan met statistische toetsing. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met hoe de gegevens eruit zien. Als je gegevens hebt met een vijfpuntsschaal, zoals dat het geval is bij K&N, moet je die anders behandelen dan gegevens die in beginsel alle waarden kunnen aannemen. Bovendien moeten de gegevens over de prestaties, zoals dat heet, een ‘normale’ verdeling hebben. Dat wil zeggen dat er ten opzichte van het gemiddelde ongeveer evenveel plussen als minnen moeten zijn. Ook moet bijvoorbeeld het aantal waarnemingen groot genoeg zijn. Aan deze twee voorwaarden lijkt zeker niet voldaan te zijn, maar we horen er vrijwel niets over. Wel wordt vermeld dat de acht verklarende ‘kapitaalvariabelen’ gecombineerd worden tot drie variabelen. Daarna krijgen we als resultaat te zien dat er een positieve relatie is tussen de mate waarin men strategische analyses toepast en het bedrijfsresultaat. Het toepassen van een strategische analyse is typisch een lange-termijn verschijnsel: een bedrijf wil iets bereiken en zal daar de tijd voor (moeten) nemen. Misschien dat na een aantal jaren het (of een) doel bereikt wordt. Je zou dus moeten weten hoe de prestaties van een bedrijf zich in de loop der tijd ontwikkelen. K&N hebben echter alleen gegevens over een bepaald jaar. In dat jaar zijn misschien sommige bedrijven net begonnen, andere bedrijven zijn al dan niet op weg naar de top, en weer andere bedrijven zijn aan de top, of staan wellicht op het punt failliet te gaan. De waarnemingen waarover de auteurs beschikken kunnen dus betrekking hebben op verschillende stadia in de ontwikkeling van bedrijven. In hoeverre dat het geval is weet de lezer niet, want het wordt hem/haar niet verteld. K&N gooien echter wel alle bedrijven op één hoop, daarmee suggererend dat ze vergelijkbaar zijn, dat wil zeggen dat alle bedrijven zich in hetzelfde stadium van hun ontwikkeling bevinden. Het zou kunnen, maar het zou wel zeer toevallig zijn. Kortom, ik zou een heel groot kruis zetten door figuur 8 uit het artikel (zie plaatje) dat de basisresultaten van K&N samenvat (zie ook hier voor een eindoordeel). 

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over creatieve kampioenen (beoordeling III)

De auteurs passen DEA toe, zoals we bespraken. Ze vinden dat meer dan de helft van de bedrijven efficiënt zijn. Dat wil zeggen, die bedrijven halen het maximale uit de middelen (inputs) die ze tot hun beschikking hebben. Het is niet onmogelijk, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat zo veel bedrijven het zo goed doen. Maar dit resultaat zou ook kunnen volgen omdat de bedrijven te weinig op elkaar lijken. In dat geval liggen de waarnemingen over de inputs en de outputs van de bedrijven zo ver van elkaar, dat ze niet meer met elkaar vergeleken kunnen worden. Ieder bedrijf is dan in feite zijn eigen unieke universum en dus per definitie efficiënt. Of dit de verklaring is voor dit resultaat valt overigens niet na te gaan, want er wordt, zoals we al zeiden, geen enkele informatie over de beschikbare data gegeven.  De auteurs zijn overigens niet tevreden met zo veel efficiënte bedrijven en onderscheiden daarom nog een categorie van superefficiënte  ‘exceptionele bedrijven’. Hoe dat gedaan wordt, wordt summier en verwarrend uitgelegd. Het doet er niet zo veel toe, want de kritiek uit de vorige paragraaf is ook op deze analyse van toepassing.

Tenslotte wordt met behulp van een model met ‘structurele vergelijkingen’ statistisch getoetst of de prestaties van bedrijven inderdaad afhangen van de mate waarin strategische overwegingen bij het dagelijkse functioneren worden gebruikt. Die toetsing betekent dat met behulp van statistische methoden de te verklaren variabele, in dit geval de prestaties van bedrijven, wordt gekoppeld aan variabelen die voor de prestaties bepalend zijn. Dergelijke statistische analyses kunnen alleen toegepast worden onder een aantal strikte voorwaarden. Eén daarvan is dat de verklarende variabelen onafhankelijk zijn van de variabele die verklaard moet worden. We hebben al gezien dat dit niet noodzakelijk het geval is, gezien de manier waarop informatie is verkregen over de belangrijkste variabele in dit verhaal, namelijk of bedrijven gebruik maken van strategische analyses. Door aan bedrijven daarover informatie te vragen, kan er een omgekeerde relatie ontstaan. Een bedrijf dat het heel goed doet, zal kunnen zeggen dat ze strategische analyses toepast zonder dat werkelijk te doen, maar het toont dan aan hoe ‘diep’ zij in de markt kunnen kijken. Bedrijven die het wat minder goed doen, zullen een neiging hebben juist niet te zeggen dat zij een strategische visie hebben, omdat ze dan moeten toegeven dat die visie fout is. Kortom, de relatie is niet van strategievorming naar de prestaties van het bedrijf, maar het is juist andersom. Bedrijven die het goed doen, gaan prat op hun mooie strategische plannen en bedrijven die het niet goed doen, gaan er niet prat op. Dit is het bekende endogeniteitsprobleem, maar de auteurs vermelden dit probleem niet. Zij zijn er juist erg trots op dat ze de omgekeerde relatie (het effect van strategie op prestatie) kunnen toetsen. Ze beroemen zich er op dat zij de eersten zijn die dit doen. Eerlijk gezegd hoop ik dat zij ook de laatsten zijn die het zo doen. 

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over creatieve kampioenen (beoordeling II)

De meting van een van hun kernvariabelen, namelijk de strategieformulering, kan niet als een onafhankelijke meting van de prestaties van het bedrijf beschouwd worden, zo zagen wij. Dan kan die variabele ook niet als een verklaring voor de prestaties van het bedrijf worden gebruikt, want dan kom je in een kip-ei probleem terecht. K&N doen dat toch. Hoe zit het dan met de andere variabelen, met name de input- en de outputvariabelen, hoe worden die gemeten? De lezer komt het niet te weten. Er wordt wel een hele opsomming gegeven van variabelen die bepalend zijn voor de prestaties van het bedrijf, maar of die variabelen op een of andere manier gemeten kunnen worden, weten we niet. Er wordt ook geen enkele informatie gegeven over eventuele metingen. We moeten maar aannemen dat de auteurs werkelijk iets gemeten hebben, maar controleren kan de lezer dat niet. Er wordt niet eens een tabel getoond met wat gemiddelde waarden van de relevante variabelen. 
Met de gegevens over inputs en outputs (waar de lezer dus niets van weet) wordt dan de efficiëntie van bedrijven gemeten, met behulp van de zogenaamde Data Envelopment Analysis (DEA). DEA komt er op neer dat je nagaat wie het meeste produceert bij bepaalde combinaties van inputs. Je krijgt dan zoiets als in het plaatje. De bedrijven A, B, C en D maken het beste gebruik van hun inputs. Deze methode kan alleen toegepast worden onder bepaalde restrictieve voorwaarden: de bedrijven moeten voldoende homogeen zijn (op elkaar lijken), ze moeten dezelfde soort inputs gebruiken en dezelfde soort outputs afleveren. Bovendien, daar hier sprake is van meerdere inputs en outputs, gaat het om combinaties van inputs en outputs. Op een of andere manier zijn er gewichten nodig om inputs en outputs te kunnen optellen. Om die gewichten te bepalen moeten aannames gemaakt worden over de vorm van het productieproces. Daar is misschien wel uit te komen, maar K&N melden helemaal niets over al deze aannames. Zij doen net alsof er geen vuiltje aan de lucht is en DEA zo maar kan worden toegepast. Voor de lezer is dat zeer onbevredigend. De lezer weet niets van de data die worden gebruikt en weet ook niet welke aannames K&N maken bij het toepassen van DEA. We moeten maar aannemen dat de gevonden resultaten ergens op gebaseerd zijn. 

woensdag 23 april 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over creatieve kampioenen (beoordeling I)

K&N wilden aantonen dat bedrijven in de creatieve sector die op een of andere manier strategieën formuleren en die ook volledig gebruiken bij hun dagelijkse functioneren beter presteren dan bedrijven die dat niet (volledig) doen. Is dat een zinvolle hypothese? Dat is een kwestie van smaak, maar stel dat de hypothese bevestigd wordt, betekent dat dan dat bedrijven maar beter met strategische plannen kunnen komen omdat ze het dan beter gaan doen? Niet noodzakelijk, het zou kunnen dat bedrijven die goed presteren hun zaakjes goed op orde hebben en daarom ook een strategisch plan in de kast hebben liggen. Misschien doen ze er wel niks mee in het dagelijkse opereren. Strategie voor de sier. Bedrijven die hun zaken niet op orde hebben, hebben helemaal geen tijd om zich met een luxe activiteit als strategieformulering bezig te houden. Een strategie als versiering, het zou mij op zich niet verbazen als het zo werkt. Bovendien, als alle bedrijven die elkaar beconcurreren een perfecte strategie hebben, zullen er toch een paar het loodje moeten leggen, want zo werkt concurrentie nu eenmaal: alleen de sterkste of de gelukkigste bedrijven blijven over.

Strategie lijkt me dus uiteindelijk niet zo’n belangrijke verklaring voor het succes van bedrijven. Laten we er echter, ter wille van K&N, van uitgaan dat de hypothese over strategievorming zinvol is. Hebben K&N dan de juiste onderzoektactiek gekozen? Een heel vreemde keuze van K&N is dat ze alleen maar bedrijven in de beschouwing hebben betrokken die een strategie geformuleerd hebben. Dat is curieus, want om te weten of strategievorming effectief is, moet je ook bedrijven meenemen die helemaal niets hebben met strategische plannen. Maar er is hier nog een ander probleem. K&N konden alleen iets te weten komen over strategie door het aan de bedrijven zelf te vragen. De auteurs vroegen of de bedrijven het voordeel inzagen van het formuleren van een strategie. De bedrijven konden dan antwoorden op een vijfpuntsschaal van 1 (helemaal geen voordeel) tot 5 (heel groot voordeel). Het meten van een ‘exogene’ variabele door betrokkenen naar hun perceptie te vragen leidt tot allerlei problemen. Het belangrijkste probleem is hier dat de meting van de variabele niet als onafhankelijk van de prestaties van het bedrijf kan worden beschouwd, maar K&N doen dat wel (wordt vervolgd). 

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over creatieve kampioenen (samenvatting)

Dit artikel van K&N (Journal of Regional Science, 2013, pp. 749-777) gaat, onder meer, over de vraag of bedrijven in de ‘creatieve sector’ gebruik maken van strategische analyses, waarbij die bedrijven aan de hand van hun missie kunnen nagaan wat ‘kritische succesfactoren’ zijn voor de resultaten van het bedrijf en of er correcties nodig zijn om het gewenste doel te kunnen bereiken. Of bedrijven dergelijke analyses toepassen wordt aan de hand van interviews gemeten. Belangrijker voor het artikel is echter de vraag of bedrijven die dergelijke analyses toepassen ook werkelijk succesvoller zijn. De auteurs zijn niet echt onbevooroordeeld over deze vraag zoals blijkt uit dit citaat: “Bedrijven met een volledig geïmplementeerd systeem van strategische analyses hebben een sterkere concurrentiepositie dan bedrijven die een dergelijk systeem alleen maar overwegen.” Uit de ‘literatuur’ weten de auteurs dat er externe en interne succesfactoren bestaan. Bij de externe factoren gaat het bijvoorbeeld om de aanwezigheid van goed opgeleide mensen, bij de interne factoren kun je denken aan de winstgevendheid van het bedrijf en de kwaliteit van de dienstverlening. Vervolgens wordt vermeld dat er gegevens zijn verzameld over 60 bedrijven (20 grote en 40 middelgrote) die allemaal in verschillende mate strategische analyses toepassen. Van deze bedrijven beschikken ze over informatie over input- en outputfactoren en de locatie van de bedrijven (in Nederland). De locatie is uiteraard objectief vast te stellen, maar dat geldt minder voor de input- en outputfactoren. Het lijkt er op dat de informatie hierover uit de interviews met leidinggevenden van de bedrijven wordt verkregen. Volgens het artikel worden deze factoren via een statistische techniek tot een beperkt aantal terug gebracht. Met de overgebleven gegevens wordt daarna de relatieve prestaties van de bedrijven gemeten door Data Envelopment Analysis (DEA). Deze methode komt er op neer dat nagegaan wordt wie het meeste produceert bij bepaalde combinaties van inputs. Meer dan de helft van de bedrijven blijkt maximaal efficiënt te zijn in de volgende zin. Bij deze bedrijven geldt dat er geen enkel andere bedrijf is dat met dezelfde hoeveelheid inputs beter zou kunnen presteren. Omdat dit resultaat niet erg onderscheidend wordt gevonden, gaan de auteurs er vervolgens toe over de efficiënte bedrijven nog  nader onder te verdelen in ‘exceptionele bedrijven’ en de ‘creatieve kampioenen’. De exceptionele bedrijven blijken vaker strategische analyses van hun eigen prestaties te maken. Statistische toetsen blijken dit resultaat te bevestigen.

vrijdag 14 februari 2014

Een economische unie als verzekering III: helaas, migratie is er niet genoeg (of te veel)

Het wordt tijd weer eens terug te keren naar onze economische argumenten voor of tegen migratie. Het laatste argument dat we bespraken ging over de mogelijkheid van migratie als een soort verzekering binnen een economische unie. Als het slecht gaat in een land van de unie, kan het in één of meerdere andere land goed gaan. Zodra het slecht met je gaat in jouw land (je wordt werkloos, of je krijgt geen loonsverhoging) ga je naar een ander land waar de arbeidsmarkt beter is. Dan heb je ook nauwelijks een stelsel van sociale zekerheid nodig: niemand hoeft er immers werkloos te worden; er is altijd wel een plek waar het goed gaat. In de EU werkt het helaas niet zo. Dat komt omdat de werklozen in de EU liever een uitkering ontvangen dan dat ze naar een ander land emigreren. Niet omdat ze lui zijn, maar in feite omdat de EU geen goede unie is. De werkenden kennen de taal niet van andere EU-landen, weten ook niet hoe de regels op de arbeidsmarkten elders zijn, het is ook onbekend hoe hun kwalificaties worden beoordeeld, enzovoorts. Ziehier een van de grootste problemen van de EU. Eigenlijk hadden de Grieken bij het uitbreken van schuldencrisis in 2010 massaal moeten migreren naar Duitsland, Oostenrijk Nederland, enz., maar ze deden het niet. De EU wil een soort federatie zijn met een gemeenschappelijke arbeidsmarkt, maar de barrières tussen de landen zijn te groot om migratie mogelijk te maken. Er zijn wel uitzonderingen. De Oost-Europeanen zijn veel meer bereid huis en haard te verlaten voor een hoger inkomen dan Zuid Europeanen. Maar een vloedgolf aan immigranten vinden de ontvangende landen weer niet prettig, vooral niet omdat de kans dat de migratiestroom ook de andere kant op zou kunnen gaan, heel klein is. De unie is dan dus geen verzekering omdat de deelnemende landen te ongelijk zijn. Maar ook omdat migratie de andere kant op (Nederlanders die massaal in Polen gaan werken) eigenlijk ondenkbaar is.


donderdag 23 januari 2014

Adam Smith en de moraal in de economie volgens Tomas Sedlacek, V

We weten nu dat de economie ook met moraal om kan gaan, dus met vraagstukken die gaan over wat we elkaar gunnen. Keren we weer terug naar de welvaart van persoon A en B volgens de bijgaande figuur. Deze figuur zagen we eerder, maar nu zijn daar de paarse, blauwe en groene curven aan toegevoegd. Deze curven geven informatie over de ‘welvaart van het geheel’. Er ligt dus een oordeel over de verdeling tussen A en B aan deze curve ten grondslag. Dat is wat Smith in zijn Moral sentiments ook beoogde. Elk punt op de blauwe curve.geeft eenzelfde welvaart weer, maar de verdeling van de welvaart tussen A en B is steeds anders. Het punt WN, waarbij A relatief veel en B relatief weinig heeft, zagen we eerder. Dat wordt door de ‘onzichtbare hand’ van de markt bereikt als A en B met elkaar gaan handelen. Punt WN ligt op de blauwe curve. Uit de curve zien we dat als A er nog meer bij krijgt en B niet, de totale welvaart niet toeneemt. 'We' worden er niet beter van als A nog rijker wordt. Hoe verder de curve van de oorsprong af ligt, des te hoger is de welvaart. Dus: alle punten op de groene curve geven een hogere welvaart dan alle punten op de blauwe curve. Als we goed naar groene curve kijken, komen we gauw tot de conclusie dat meer welvaart dan volgens de groene curve niet bereikt kan worden. Het optimale punt is dan punt MS. In dit punt is de ongelijkheid tussen A en B kleiner dan in het punt WN dat door de markt wordt gegenereerd. Kennelijk vinden we met zijn allen dat de rijke persoon A bereid moet zijn een deel van zijn welvaart voor de arme persoon B op te geven. Moral sentiments restored.

zondag 5 januari 2014

Adam Smith en de moraal in de economie volgens Tomas Sedlacek, IV

Eigenbelang is volgens Adam Smith in zijn boek Moral sentiments helemaal niet leidend voor het economisch gedrag. Mensen zijn ook bereid zich zorgen te maken om anderen zonder dat ze er zelf beter van kunnen worden. Het gaat er dan om de welvaart van het geheel te maximaliseren in plaats van alleen maar het eigen nut. De Wealth of nations baseerde zich daarentegen helemaal op eigenbelang Volgens Sedlacek in zijn boek Economics of good and evil is die tegenstelling tussen eigenbelang en altruïsme bij Smith in de vakliteratuur nooit goed opgelost en heeft Smith de “de jonge economische wetenschap opgescheept met een inconsistente, onheldere en dubbelzinnige visie.” (Sedlacek, blz. 201) Dit is te pessimistisch. Adam Smith had al door dat er een afruil kan zijn tussen efficiëntie en rechtvaardigheid en dat je die twee verschillende zaken kunt scheiden, zoals hij dat deed in twee verschillende boeken. De zogenaamde welvaartseconomie gaat over theoretische bespiegelingen rond rechtvaardigheid en is dus een afgeleide van Smiths’ Moral sentiments. Economen die zich hiermee bezig houden, doen uitspraken over de welvaart van het geheel met behulp van een sociale-welvaartsfunctie. Hierbij kan het utilitarisme een rol spelen. Hierbij wordt de sociale welvaart bepaald door de som van individuele nutten. Sedlacek kent het utilitarisme, maar denkt dat die niet past onder de mainstream economische theorie (zie Sedlacek, blz. 253 en 269). Dat is een merkwaardige opvatting. Het is anderzijds wel waar dat de welvaartseconomie in een bepaald opzicht problematisch is. Als we uitspraken doen over rechtvaardigheid aan de hand van een sociale-welvaartsfunctie zou het wel handig zijn als zo’n functie door iedereen gedragen zou worden en tot een unaniem oordeel over de ‘optimale’ verdeling zou leiden. Helaas heeft de econoom Kenneth Arrow (1921-) eind jaren 40 in zijn proefschrift weten te bewijzen dat zo’n breed gedragen sociale-welvaartsfunctie niet bestaat. Of, met andere woorden, de moraal in de economie (die er volgens Sedlacek dus niet is), is een moraal die niet door iedereen gedeeld wordt. Daar moeten we mee leren leven, maar een groot probleem is dat niet. Wie zou verwachten dat er een absolute moraal bestaat? In het volgende blog doen we net alsof er maatschappelijke consensus over verdelingsvraagstukken bestaat. Bedenk dat die consensus na de volgende verkiezingen weer helemaal anders kan zijn. 

vrijdag 3 januari 2014

Adam Smith en de moraal in de economie volgens Tomas Sedlacek, III

Volgens Sedlacek in zijn boek Economics of good and evil is de moraal uit de economische wetenschap verdwenen omdat economen geen rekening hielden met de morele kant van het economische handelen zoals de economische aartsvader Adam Smith dat in The theory of moral sentiments had beschreven. Latere economen baseerden zich alleen op de The wealth of nations waarin individueel eigenbelang als motief voor gedrag wordt opgevoerd. Dat reduceert de mens tot een homo economicus, een robot die alleen maar hoeft te kunnen rekenen om te weten wat hij moet doen om zijn eigen welvaart te maximaliseren. Hoewel veel van de economische wetenschap zich beperkt tot robotisering van de mens, is dit toch een onjuiste voorstelling van zaken. Zowel de Wealth of nations als de benadering volgens de Moral sentiments heeft in de economische wetenschap een plaats gevonden. We leggen het uit op de manier waarop we het aan een eerstejaars student zouden uitleggen. Kijk eens naar de figuur. Die figuur geeft mogelijke verdelingen van de welvaart (economen spreken over individueel nut) weer in een economie waar maar twee personen leven (economen redeneren het liefste vanuit een zo simpel mogelijk geval. Hier dus twee personen). De rode curve PP geeft de uiterste grens aan die bereikt kan worden voor de welvaartsverdeling tussen personen A en B. Ieder punt op die grens is mogelijk, maar geeft een andere welvaartsverdeling tussen A en B weer. In het punt WN heeft persoon A, bijvoorbeeld veel nut en persoon B weinig nut, terwijl in MS de verdeling in nut tussen A en B ongeveer gelijk is. Het is echter onmogelijk om het punt IF te bereiken omdat dit buiten de curve PP ligt. Stel nu dat in de ‘uitgangssituatie’, laten we zeggen in autarkie, ofte wel als de personen zich niet elkaar bemoeien, een welvaartsverdeling volgens het punt AU geldt. De boodschap van de Wealth of nations is nu dat als de personen met elkaar gaan handelen (al dan niet via de markt) A en B in een punt als WN terecht kunnen komen waar ze er allebei op vooruit gaan. Laat dat goed tot de lezer doordringen. Dan kunnen we volgende keer zien in welk punt we volgens de Moral sentiments zullen bereiken (hint: punt MS is een mogelijke kandidaat). 

donderdag 2 januari 2014

Adam Smith en de moraal in de economie volgens Tomas Sedlacek, II

Voordat Adam Smith The wealth of nations schreef, had hij al naam gemaakt met The theory of moral sentiments. Dat boek bevat een scherpe kritiek op het idee van Mandeville dat zelfzuchtige ondeugd een onvermijdelijk element is van het menselijke handelen (en tot welvaart leidt). Volgens Smith worden individuele acties niet (alleen) bepaald door rationele afwegingen en calculaties ten behoeve van de eigen welvaart. Mensen laten zich volgens Smith ook leiden door welwillend altruïsme ten opzichte van anderen. Het lijkt paradoxaal dat Smith twee tegengestelde motieven als basis zag voor het gedrag, namelijk het motief van eigenbelang (zie het citaat in het plaatje) en het altruïstische solidariteitsmotief. Misschien, zo zegt Sadlecek in zijn boek Economics of good and evil, zag Smith die twee motieven als aanvullingen op elkaar. Het principe van eigenbelang leidt dan slechts tot een minimalistisch functioneren van de samenleving. De samenleving wordt pas echt bij elkaar gehouden door daden die niet gebaseerd zijn op eigenbelang. Het belang van sociale motieven bij economische keuzen is door de economische wetenschap genegeerd, zo verzucht Sedlacek. Als gevolg daarvan is de economie verworden tot een soort rationele rekenkunde waarbij de mens als robot precies kan bepalen wat goed voor hem is en zich daar ook aan zal houden. Adam Smith heeft dat nooit zo gewild (nog steeds volgens Sedlacek): Smith wilde uitdrukkelijk morele overwegingen bij de economische wetenschap betrekken. Daar kunnen we het mee eens zijn maar de vraag is of die morele overwegingen verdwenen zijn uit de economie, zoals Sedlacek claimt. Ik denk dat Sedlacek er op dit punt naast zit. Daar komen we op terug in het volgende blog.

woensdag 1 januari 2014

Adam Smith en de moraal in de economie volgens Tomas Sedlacek, I

Vrij algemeen wordt Adam Smith (1723-1790) als de aartsvader van de economische wetenschap gezien. Uit zijn beroemde boek The wealth of nations stamt het idee dat als mensen er op uit zijn hun eigen belang te bevorderen en met anderen tot transacties komen (via de markt) een optimaal resultaat wordt verkregen. De markt leidt via een ‘onzichtbare hand’ tot een zo hoog mogelijke welvaart. Was hij de eerste met deze boodschap? Niet volgens Tomas Sedlacek die in zijn boek Economics of good and evil laat zien dat in eeuwenoude mythes en religies hetzelfde idee al werd verkondigd, al dan niet in verhulde vorm. Sedlacek besteedt een heel hoofdstuk aan een voorganger van Smith, namelijk Bernard Mandeville (1670-1733) die volgens Sedlacek de echte vader was van het idee van de onzichtbare hand. Mandeville had echter een iets andere opvatting over de gewenste moraal van individuen. Terwijl Smith er van uitging dat ‘neutraal’ eigen belang voldoende was voor het bereiken van een maximale welvaart, waren daar volgens Mandeville expliciet slechte individuele motieven voor nodig. Welvaart komt voort uit ondeugd. Om Mandeville via Sadlecek te citeren: “Thus every Part was full of Vice/Yet the whole Mass a Paradice”, en: “That strange ridic’lous Vice, was made/ The very wheel, that turn’d the Trade”. In een deugdzame samenleving zou er geen sprake meer zijn van welvaart; het is dus contraproductief ten strijde te trekken tegen ondeugd. Mandeville werd indertijd door deze opvatting een voorwerp van controverse in het Verenigd Koninkrijk. Adam Smith werd bijna 50 jaar later echter als een grote filosoof binnen gehaald met het verschijnen van de Wealth, terwijl hij ongeveer eenzelfde idee als Mandeville propageerde. Hij kreeg dat volgens Sedlacek voor elkaar omdat hij aannam dat mensen naast zelfzucht ook gevoelens van altruïsme koesterden, zoals we volgende keer zullen zien.