woensdag 23 april 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over creatieve kampioenen (beoordeling I)

K&N wilden aantonen dat bedrijven in de creatieve sector die op een of andere manier strategieën formuleren en die ook volledig gebruiken bij hun dagelijkse functioneren beter presteren dan bedrijven die dat niet (volledig) doen. Is dat een zinvolle hypothese? Dat is een kwestie van smaak, maar stel dat de hypothese bevestigd wordt, betekent dat dan dat bedrijven maar beter met strategische plannen kunnen komen omdat ze het dan beter gaan doen? Niet noodzakelijk, het zou kunnen dat bedrijven die goed presteren hun zaakjes goed op orde hebben en daarom ook een strategisch plan in de kast hebben liggen. Misschien doen ze er wel niks mee in het dagelijkse opereren. Strategie voor de sier. Bedrijven die hun zaken niet op orde hebben, hebben helemaal geen tijd om zich met een luxe activiteit als strategieformulering bezig te houden. Een strategie als versiering, het zou mij op zich niet verbazen als het zo werkt. Bovendien, als alle bedrijven die elkaar beconcurreren een perfecte strategie hebben, zullen er toch een paar het loodje moeten leggen, want zo werkt concurrentie nu eenmaal: alleen de sterkste of de gelukkigste bedrijven blijven over.

Strategie lijkt me dus uiteindelijk niet zo’n belangrijke verklaring voor het succes van bedrijven. Laten we er echter, ter wille van K&N, van uitgaan dat de hypothese over strategievorming zinvol is. Hebben K&N dan de juiste onderzoektactiek gekozen? Een heel vreemde keuze van K&N is dat ze alleen maar bedrijven in de beschouwing hebben betrokken die een strategie geformuleerd hebben. Dat is curieus, want om te weten of strategievorming effectief is, moet je ook bedrijven meenemen die helemaal niets hebben met strategische plannen. Maar er is hier nog een ander probleem. K&N konden alleen iets te weten komen over strategie door het aan de bedrijven zelf te vragen. De auteurs vroegen of de bedrijven het voordeel inzagen van het formuleren van een strategie. De bedrijven konden dan antwoorden op een vijfpuntsschaal van 1 (helemaal geen voordeel) tot 5 (heel groot voordeel). Het meten van een ‘exogene’ variabele door betrokkenen naar hun perceptie te vragen leidt tot allerlei problemen. Het belangrijkste probleem is hier dat de meting van de variabele niet als onafhankelijk van de prestaties van het bedrijf kan worden beschouwd, maar K&N doen dat wel (wordt vervolgd). 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen