donderdag 24 april 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over creatieve kampioenen (beoordeling III)

De auteurs passen DEA toe, zoals we bespraken. Ze vinden dat meer dan de helft van de bedrijven efficiënt zijn. Dat wil zeggen, die bedrijven halen het maximale uit de middelen (inputs) die ze tot hun beschikking hebben. Het is niet onmogelijk, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat zo veel bedrijven het zo goed doen. Maar dit resultaat zou ook kunnen volgen omdat de bedrijven te weinig op elkaar lijken. In dat geval liggen de waarnemingen over de inputs en de outputs van de bedrijven zo ver van elkaar, dat ze niet meer met elkaar vergeleken kunnen worden. Ieder bedrijf is dan in feite zijn eigen unieke universum en dus per definitie efficiënt. Of dit de verklaring is voor dit resultaat valt overigens niet na te gaan, want er wordt, zoals we al zeiden, geen enkele informatie over de beschikbare data gegeven.  De auteurs zijn overigens niet tevreden met zo veel efficiënte bedrijven en onderscheiden daarom nog een categorie van superefficiënte  ‘exceptionele bedrijven’. Hoe dat gedaan wordt, wordt summier en verwarrend uitgelegd. Het doet er niet zo veel toe, want de kritiek uit de vorige paragraaf is ook op deze analyse van toepassing.

Tenslotte wordt met behulp van een model met ‘structurele vergelijkingen’ statistisch getoetst of de prestaties van bedrijven inderdaad afhangen van de mate waarin strategische overwegingen bij het dagelijkse functioneren worden gebruikt. Die toetsing betekent dat met behulp van statistische methoden de te verklaren variabele, in dit geval de prestaties van bedrijven, wordt gekoppeld aan variabelen die voor de prestaties bepalend zijn. Dergelijke statistische analyses kunnen alleen toegepast worden onder een aantal strikte voorwaarden. Eén daarvan is dat de verklarende variabelen onafhankelijk zijn van de variabele die verklaard moet worden. We hebben al gezien dat dit niet noodzakelijk het geval is, gezien de manier waarop informatie is verkregen over de belangrijkste variabele in dit verhaal, namelijk of bedrijven gebruik maken van strategische analyses. Door aan bedrijven daarover informatie te vragen, kan er een omgekeerde relatie ontstaan. Een bedrijf dat het heel goed doet, zal kunnen zeggen dat ze strategische analyses toepast zonder dat werkelijk te doen, maar het toont dan aan hoe ‘diep’ zij in de markt kunnen kijken. Bedrijven die het wat minder goed doen, zullen een neiging hebben juist niet te zeggen dat zij een strategische visie hebben, omdat ze dan moeten toegeven dat die visie fout is. Kortom, de relatie is niet van strategievorming naar de prestaties van het bedrijf, maar het is juist andersom. Bedrijven die het goed doen, gaan prat op hun mooie strategische plannen en bedrijven die het niet goed doen, gaan er niet prat op. Dit is het bekende endogeniteitsprobleem, maar de auteurs vermelden dit probleem niet. Zij zijn er juist erg trots op dat ze de omgekeerde relatie (het effect van strategie op prestatie) kunnen toetsen. Ze beroemen zich er op dat zij de eersten zijn die dit doen. Eerlijk gezegd hoop ik dat zij ook de laatsten zijn die het zo doen. 

1 opmerking:

  1. Is het je ook opgemerkt dat ze het criterium "p < 0.10" gebruiken voor significantie? Twee keer zo veel valse positieven als normaal, en normaal is al erg genoeg. En er zijn wel erg veel coefficienten in hun modellen, en niet veel data.

    BeantwoordenVerwijderen