zondag 22 juni 2014

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over allochtone ondernemers (oordeel)

Zoals we in onze samenvatting van dit artikel al zeiden, vinden de auteurs van dit artikel de steekproef die ze gebruiken zelf ook wel wat klein. Dat lijkt me een understatement. Als we 24 Marokkaanse ondernemers ondervragen waarvan er slechts één verlies lijdt, hoe kunnen we dan een algemene conclusie trekken over ‘succesfactoren’ door middel van regressieanalyse? Je hoeft geen doorgewinterd statisticus te zijn om te kunnen concluderen dat met zo weinig waarnemingen de variatie in de variabelen niet voldoende kan zijn voor significante resultaten. Bovendien bestaan de variabelen die meegenomen worden in de regressie (namelijk de antwoorden van de ondernemers op de vragen die de auteurs hen gesteld hebben) uit meerdere dimensies. De variabele ‘motieven en drijvende krachten (MOK)’, bijvoorbeeld bestaat uit: de bron voor hun kapitaal, of ze een ondernemingsplan hebben, of ze eerder in dezelfde sector gewerkt hebben, waar ze hun informatie over de markt vandaan halen en wat ze voorheen deden. Die verschillende factoren worden (kennelijk) tot één variabele gereduceerd, maar op welke manier dat wordt gedaan, wordt niet onthuld. Hetzelfde geldt voor de prestaties van de onderneming. Desondanks krijgen Kourtit en Nijkamp significante uitkomsten. Ze blijken zelfs in staat om meerdere causale verbanden op het spoor te komen. Hoe dat kan is raadselachtig. In ieder geval kan op basis van hun resultaten niet geconcludeerd worden dat allochtone ondernemers “meer open” zijn of voortdurend op zoek naar “nieuwe kansen”. De conclusie die ik na lezing uit dit artikel kan trekken is: succesvolle Marokkaanse ondernemers zijn succesvol. De redactie van het tijdschrift waar dit artikel in is gepubliceerd, las er kennelijk meer in.

Naschrift: het hier besproken artikel was ook hoofdstuk 6 uit de oude versie van Kourtit’s proefschrift. In de nieuwe versie van haar proefschrift staat een andere versie waar gebruikt wordt gemaakt van een groter aantal waarnemingen en een ander empirisch model. Ik ben niet overtuigd dat hiermee de hierboven geuite bezwaren zijn weggenomen. Misschien kom ik er nog eens op terug.

Akrima Kourtit en Peter Nijkamp: over allochtone ondernemers (samenvatting)

Kourtit en Nijkamp hebben, zo zagen we eerder, een grote belangstelling voor migratie. Zij zien migratie als een positief verschijnsel. Het ligt daarom voor de hand dat ze ook vinden dat allochtone ondernemers een positieve bijdrage leveren aan de economie. De titel van het hier te bespreken artikel suggereert dit inderdaad. Allochtone ondernemers blijken, volgens de auteurs in hun inleiding, over uitstekende ondernemersvaardigheden te beschikken en zijn daarom verantwoordelijk voor een bloeiende MKB-sector in vele steden (p.377). Iets verderop (p. 379) schrijven de auteurs dat creatief ondernemerschap onder migranten een van de meest uitdagende en snelst stijgende sectoren onder migranten is en dat dit bijdraagt aan culturele integratie en diversiteit onder ondernemers in moderne steden. Het gaat hier vooral om de jongere generatie die “meer open is en op zoek naar nieuwe kansen buiten de traditionele sectoren” (t.a.p., p. 382). Dit zijn zware claims, hoe worden die waar gemaakt? Door een vragenlijst af te nemen van een “tamelijk representatieve” steekproef  van 24 ondernemers van Marokkaanse origine (p. 384) werkzaam in de professionele dienstverlening (zoals ICT en consultancy). Van deze 24 ondernemers wordt vervolgens getoond wat zij geantwoord hebben op de verschillende vragen. Zo boekt 2/3 van de ondernemers winst in het afgelopen jaar en hebben ze het meest Nederlanders als klant. Verder blijken de meesten, namelijk 71% van de ondervraagden, als werknemer in dezelfde sector gewerkt te hebben voor ze zelfstandig werden. Factoren als de laatste worden ‘motieven en drijvende krachten (hier afgekort als MOK)’ genoemd. Daarbij horen ook: waar men zijn/haar kapitaal voor de onderneming vandaan heeft, of men een ondernemingsplan heeft, en dergelijke. Tenslotte maken de auteurs een ‘structureel relationeel model’ dat statistisch wordt geschat. Daarbij zijn de MOK een van de ‘verklarende variabelen’ voor de prestaties van het bedrijf en deze blijken een positief effect te hebben. Dus, hoe meer (of hoe beter, dat is niet duidelijk) de MOK des te beter de prestaties van het bedrijf. De auteurs eindigen hun paper met wat ze in de inleiding al aankondigden, namelijk “de algemene resultaten van onze studie laten zien dat de jongere generatie van Marokkaanse ondernemers meer open is en op zoek naar nieuwe kansen (opportunities) buiten de traditionele markten. (t.a.p., p. 398).” Wel wordt aangetekend dat de steekproef tamelijk klein is en er maar naar één punt in de tijd wordt gekeken. (Ga verder naar het oordeel).

zaterdag 21 juni 2014

De verhoging van de AOW-leeftijd volgens Lans Bovenberg

Opeens was daar dus in het crisisjaar 2008 het voorstel om de AOW-leeftijd te verhogen. De crisis maakte alles bespreekbaar. Ook een maatregel, die zinloos, duur en oneerlijk is, zoals ik schreef in De Volkskrant van 9 februari 2009. Daar dacht natuurlijk niet iedereen zo over. Onder Nederlandse economen was er een opvallende eensgezindheid over de wenselijkheid van een hogere AOW-leeftijd. Lans Bovenberg was een van de meest bekende pleitbezorgers. Hij was lid geweest van de commissie Bakker. Hoewel econoom, vond Bovenberg dat de overheid het aanbod op de arbeidsmarkt moet reguleren via de AOW-leeftijd: Er komen immers tekorten in de zorg en het onderwijs aan. Of een verhoging van de AOW-leeftijd die tekorten oplost, is maar de vraag. Het ligt niet erg voor de hand dat ouderen langer kunnen worden ingezet in ‘zware’ sectoren als de zorg en het onderwijs. Maar Bovenerg wist het zeker en economen die iets anders beweerden waren valse profeten. We zijn vijf jaar verder. De AOW-leeftijd is inmiddels verhoogd en zal binnen een paar jaar voor iedereen 67 jaar zijn in plaats van 65 jaar. Wat is het effect tot nu toe? Het aantal werkloze 55-plussers is in twee jaar tijd toegenomen van 68.000 in 2012 naar 104.000 in 2014. Zeventig procent van de 57-plussers die werkloos raakt, vindt geen baan terwijl ze in de WW zitten, terwijl mensen jonger dan 57 jaar veel makkelijker aan een nieuwe baan komen. Bovenberg zal nu wel zeggen dat dit korte-termijn effecten zijn; op de lange termijn, als mensen meer tijd en geld hebben vrij gemaakt voor scholing, wordt alles beter. Dan kan er beter gebruik worden gemaakt van het ‘menselijk kapitaal’ waarover ouderen nog beschikken. Laten we Bovenberg het voordeel van de twijfel geven en aannemen dat hij gelijk heeft. Dan nog kunnen we met een verwijzing naar een bekende uitspraak van Keynes zeggen dat op de lange termijn van Bovenberg de huidige werkloze ouderen allemaal al dood zijn. 

woensdag 18 juni 2014

Langer werken door ouderen


Frank Kalshoven die wil dat wij langer gaan werken, heeft dat natuurlijk niet zelf bedacht. Tijdens de kredietcrisis van 2008/2009 werd opeens de AOW-leeftijd ter discussie gesteld. We leven langer dan 50 jaar geleden, zo rond de invoering van de AOW in Nederland, en dus zou verhoging van de AOW-leeftijd voor de hand liggen. Dit werd in Nederland al eerder voorgesteld, namelijk door de zogeheten commissie Drees in de jaren 80. Als er besloten zou worden tot een verhoging van de AOW-leeftijd, dan zou die verhoging volgens deze commissie in 2010 moeten ingaan. In dat geval zou de naoorlogse 'babyboom'-generatie, die uiteindelijk door zijn omvang en het geringe kindertal verantwoordelijk is voor de demografische kosten van de vergrijzing, zelf de kosten van de vergrijzing opvangen. De mededeling van de commissie Drees over de AOW-leeftijd werd door de politiek voor kennisgeving aangenomen. Alleen voor D66 was verhoging van de AOW-leeftijd jarenlang een geliefd programmapunt. Wat er echter feitelijk gebeurde was dat de AOW-uitkeringen steeds meer achter gingen lopen op de welvaartsgroei van werkenden. Vervolgens kwam de zogeheten commissie Bakker in 2008 met een rapport dat heette naar een toekomst die werkt. Deze commissie was eigenlijk ingesteld door het kabinet om de dreigende politieke onenigheid over het ontslagrecht te bezweren. Daar ging het rapport nauwelijks over: Er werden dramatische tekorten op de arbeidsmarkt voorspeld, waarvoor, onder meer, verhoging van de AOW-leeftijd een remedie zou zijn. Als er een probleem op een markt is (tekorten) stelt een econoom meestal voor de markt ‘beter’ te laten werken. In het geval van tekorten op de arbeidsmarkt zou vrije loonvorming de tekorten vanzelf laten verdwijnen. Er zaten economen in die commissie (Oosterwijk, Bovenberg), maar die vonden kennelijk de markt niet de ideale oplossing. De verhoging van de AOW-leeftijd was maar een van de vele voorstellen van de commissie. Al die voorstellen leken een zachte dood te sterven, zoals gebruikelijk bij dit soort commissies. Maar dat voorstel over de AOW dus niet, want daar gingen, naast economen, politici mee aan de haal toen de kredietcrisis echt uitbrak.

zondag 8 juni 2014

Waarom langer werken niet tot meer groei leidt

Volgens Frank Kalshoven moeten wij Nederlanders langer gaan werken om zodoende de economische groei omhoog te stuwen. Nederland, groeiland. We zagen al eerder dat Alfred Kleinknecht de contraproductieve effecten van loonmatiging aan de kaak had gesteld. Loonmatiging maakt werkgevers lui: er is geen grote prikkel om nieuwe (wellicht arbeidsbesparende) technieken in te voeren. Dit kun je positief nieuws vinden, met de vaderlandse politici in het spoor van het CPB, maar je kunt dat ook helemaal geen goed nieuws vinden als je de ontwikkeling van de economie op de wat langere termijn op het oog hebt. Het voorstel van Kalshoven is in feite niet veel anders dan een (indirecte) loonmatiging. Als de werkweek 60 uur zou worden, krioelt het voortdurend van werknemers in de fabriek, want, aannemende dat we de ‘vrije zaterdag’ niet willen afschaffen, wordt de werkdag 12 uur. Een ondernemer die zo lang werknemers over de vloer heeft, zal ook weinig behoefte hebben op arbeid te besparen. Er is immers arbeid genoeg. Bovendien zal de wet van vraag en aanbod zich op de arbeidsmarkt doen voelen. Door het toenemende arbeidsaanbod kunnen de lonen dalen en dan treedt ook nog eens het Alfred-Kleinknechteffect op. Zowel meer arbeid als dalende lonen leiden tot minder innovatie en dus minder economische groei. We krijgen dus precies het omgekeerde van wat Kalshoven wil. 

woensdag 4 juni 2014

Frank Kalshoven: we moeten langer en harder werken

Volgens Frank Kalshoven moeten wij Nederlanders meer gaan werken, meer uren maken, jonger beginnen met werken en veel later met pensioen gaan. In De Volkskrant van 24 mei 2014 zei hij dat de cao’s weer uit moeten gaan van een 60-urige werkweek. Letterlijk zei hij: “De economische groei zal omhoog gestuwd worden door meer uren te werken en meer te investeren, vooral in menselijk kapitaal.”  Economische groei bereik je volgens Kalshoven eenvoudig door zowel slimmer als harder te werken. Zie de VS. Maar kijk nu eens naar de bijgaande grafiek. Deze is afkomstig van de afscheidsrede van Alfred Kleinknecht aan de TU Delft. Deze grafiek laat de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit zien in de Angelsaksische landen en de continentale EU-landen.  De arbeidsproductiviteit stijgt door verbetering in en vernieuwing van productietechnieken. Technische ontwikkeling is hier het sleutelwoord. Wat opvalt is dat die ontwikkeling kennelijk succesvoller is op het Europese continent dan in de Angelsaksische landen. In die landen, maar vooral in de VS, wordt echter wel heel hard gewerkt. Hoe kan dat: hard werken en toch geen hoge groei? Economen hebben het traditioneel moeilijk om een verklaring te geven voor technische ontwikkeling. Een groot aantal economen beschouwt groei als een gegeven waar de theorie niets over te zeggen heeft, een ander (kleiner) deel van de economen denkt dat deze groei verklaard kan worden omdat investeringen in menselijk kapitaal (dus onderwijs) tot een soort vliegwieleffect leiden. Als een deel van de bevolking goed onderwijs heeft gevolgd, wordt de rest van de bevolking ook productiever. Bovendien kunnen we dan handiger de aanwezige hoeveelheid machines benutten, zonder dat we nieuwe machines hoeven neer te zetten. We krijgen groei als het ware deels voor niets. Kalshoven lijkt meer van het eerste standpunt uit te gaan: technische vooruitgang komt uit de lucht vallen en als we maar langere werkdagen, kunnen we er nog meer van uit de lucht grijpen. Deze redenering is in strijd met de bijgaande grafiek. Volgende keer bespreken we daarom betere redeneringen over (hard) werken en economische groei.