zondag 26 oktober 2014

Thomas Piketty: r > g

Mijn allereerste onderzoek vlak na mijn afstuderen in 1976 ging over inkomensongelijkheid. Ik wilde nagaan of door de toename van het opleidingsniveau van de bevolking de inkomensongelijkheid zou afnemen. Zoals ik eerder vermeldde, mislukte dat onderzoek. Er kwam niet uit wat ik hoopte (toen wist ik nog niet dat ieder empirisch resultaat een resultaat was). Twaalf jaar later schreef ik een proefschrift over overheidspensioenen. Eigenlijk ging het proefschrift over wat ik toen de Aaron-conditie noemde, namelijk over de verhouding tussen de opbrengst op beleggingen (r) en de stijging van de lonen (g). Wat ik nog niet zo goed wist was dat r ‘normaal gesproken’ groter moet zijn dan g.
Waarom r>g moet gelden, is eigenlijk heel eenvoudig in te zien. De redenering gaat ongeveer als volgt. Beleggingen komen van mensen die geld over hebben (zij sparen) en dat geld kan gebruikt worden voor de financiering van schulden, bijvoorbeeld de hypotheken van gezinnen. Gezinnen hebben een looninkomen dat dus stijgt met g. Als g groter zou zijn dan r, dan zal de schuld als percentage van het gezinsinkomen dalen. Als je namelijk nooit iets aflost op je schuld, stijgt de schuld met de rente die je over die schuld moet betalen. Die rente is bij benadering gelijk aan de opbrengst op beleggingen, ofte wel r. Als je zonder ooit iets af te lossen op je schuld toch ziet dat die schuld in vergelijking met je inkomen steeds minder waard wordt, dan wordt het wel heel aantrekkelijk om schulden te maken en heel onaantrekkelijk om geld uit te lenen of te beleggen. Met andere woorden, als r kleiner is dan g zal er steeds meer geleend en steeds minder gespaard worden. Maar als niemand meer wil sparen, kan er ook niets meer worden uitgeleend. Dat betekent dat r moet gaan stijgen om sparen (en dus beleggen) weer aantrekkelijk te maken, totdat r groter is dan g (r>g).
         Thomas Piketty, een 43-jarige Franse econoom, is dit jaar tot wereldroem gekomen door een boek van bijna 600 bladzijden (getiteld: ‘kapitaal in de 21ste eeuw’) dat als belangrijkste boodschap heeft dat in deze eeuw de vermogensongelijkheid in de westerse wereld weer dezelfde (draconische) vorm aanneemt als in de 18e en 19e eeuw. Deze boodschap baseert hij op zeer omvangrijk onderzoek van statistieken in diverse landen en op de ongelijkheid r>g die in een groot deel van de 20e eeuw niet gold, maar nu (weer) wel. Omdat r>g zien mensen met vermogen (de rijkaards) hun vermogen harder groeien (met r) dan het inkomen van de mensen die met werken hun brood moeten verdienen. Je hoeft dus niet eens, zoals Piketty, een dik boek te schrijven om in te zien dat het vermogen van kapitalisten harder stijgt dan het inkomen van de mensen met looninkomen. Als je weet dat r>g geldt, volgt dat direct. Maar het is even goed wel jaloers makend dat Piketty twee van mijn vroegere hobby’s (inkomensongelijkheid en sparen versus AOW) in een boek verenigt en daar beroemd mee wordt. Maar het is dan ook wel een heel goed boek. 

donderdag 16 oktober 2014

De ontwikkeling van de AOW-uitgaven (2010-2060): niet echt

Zoals we al vermeld hebben zou volgens het CPB bij een zogenaamd constant arrangement de AOW tot grote problemen voor de overheidsfinanciën leiden. Dat wil zeggen dat als de AOW-uitkering welvaartsvast zou zijn, ofte wel even hard zou stijgen als de gemiddeld verdiende lonen van werknemers, het beslag dat de AOW op het nationaal inkomen legt, heel snel zou toenemen. Hoe snel, dat zien we in de tabel. In deze tabel is aangenomen dat het nationaal inkomen 2% per jaar stijgt. Als de AOW welvaartsvast is, stijgt de AOW-uitkering (bij benadering) even hard als het nationaal inkomen. De gevolgen staan in de tweede en de derde rij (rode cijfers). We zien dat als percentage van het nationaal inkomen de AOW-uitgaven stijgen van bijna 5% in 2010 tot 8% in 2040. Ter vergelijking staan in de vierde rij de percentages die door het CPB (2010) worden gegeven.
Laten we nu aannemen dat de AOW-uitkering alleen de contractuele loonstijging volgt. Dit is in feite nog een optimistische aanname omdat, zoals we gezien hebben, de AOW in de jaren 80 en 90 zelfs niet eens de contractloonstijging volgde. Een belangrijke vraag is nu de volgende. Als de gemiddeld verdiende lonen met 2% per jaar stijgen, hoeveel van die stijging is het gevolg van cao-afspraken (dus: contractuele loonstijging) en hoeveel daarvan komt doordat de beroepsbevolking steeds beter opgeleid is, er promoties gemaakt worden, enz (dus: incidentele loonstijging). Het is moeilijk te voorspellen hoe dat de komende dertig jaar zal uitpakken. Mijn schatting is dat het ongeveer 50/50 zal zijn. Dus, per jaar stijgen de lonen met 1% door cao-afspraken en met 1% door incidentele stijgingen. Als we de gevolgen daarvan doorrekenen voor de AOW, krijgen we rij 5 en 6 in de tabel (groene cijfers). Zoals we zien, stijgen de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen maar in beperkte mate, namelijk van 4,9% in 2010 tot 6% in 2040. Daarna daalt dit percentage, omdat dan de ‘grijze druk’ alweer begint af te nemen. Uiteraard is dit resultaat afhankelijk van de veronderstelde stijging van de contractlonen. Als we aannemen dat de contractlonen met 1,5% (en het incidenteel dus met 0,5%) per jaar stijgen, dan is het resultaat voor de AOW-uitgaven minder gunstig. We zien dat in de oranje cijfers van de laatste rij (waar de verhouding contractloon/incidenteel loon op 75/25 is genomen).
Wat de werkelijke ontwikkeling zal zijn kunnen we nu nog niet weten. We hebben gezien dat de AOW-uitgaven in de afgelopen 40 jaar als percentage van het nationaal inkomen constant zijn gebleven. Dat zou in de komende 30 jaar ook kunnen gebeuren. Hoe dan ook, het constante arrangement voor de AOW zoals het CPB dat heeft doorgerekend weerspiegelt op geen enkele manier de feitelijke ontwikkeling in het verleden. Mijn eigen inschatting is dat de groene cijfers in de tabel meer de werkelijke ontwikkeling zal worden dan de oranje of rode cijfers. Kunnen we dan zeggen dat de verhoging van de AOW-leeftijd achteraf niet nodig is geweest? Zeker, zoals we een volgende keer laten zien.

zondag 12 oktober 2014

De ontwikkeling van de AOW-uitgaven (1970-2010): echt en niet echt

In de ‘vergrijzings-
sommen’ die het CPB geregeld gemaakt heeft, speelt de AOW uiteraard een belangrijke rol. Volgens het CPB zou bij een zogenaamd constant arrangement de AOW tot grote problemen voor de overheidsfinanciën leiden. Dat wil zeggen dat als de AOW-uitkering welvaartsvast zou zijn, ofte wel even hard zou stijgen als de gemiddelde lonen van werknemers, de overheidsschuld van de overheid uit de hand zou lopen. De reden voor dat uit de hand lopen was natuurlijk de vergrijzing. Het aantal 65+-ers zal tot 2040 met ongeveer 75% toenemen. Voordat we gaan kijken hoe serieus deze boodschap van het CPB was, is het goed om eerst te kijken naar de ontwikkeling van de AOW in de afgelopen 40 jaar. In die periode is het aantal 65+-ers met veel meer toegenomen dan de verwachte toename voor de komende 30 jaar. In die zin ligt het ergste van de vergrijzing al achter ons. Heeft dat tot het ontsporen van de uitgaven geleid? Kijk daarvoor eens naar de bovenstaande tabel. De groene cijfers in die tabel geven de feitelijke ontwikkeling, de rode cijfers geven de ontwikkeling van de AOW weer als die welvaartsvast zou zijn geweest volgens de definitie van het CPB.Wat zien we? Ten eerste dat de afgelopen 40 jaar het aantal AOW-ers bijna verdrievoudigd is, van 1,1 naar 2,9 miljoen. Ten tweede zien we dat de feitelijke AOW-uitgaven in lopende euro’s flink zijn toegenomen (van 2,4 in 1970 naar 28,7 miljard euro in 2010), maar als je die bedragen relateert aan het nationaal inkomen van de diverse jaren, dan blijkt dat de AOW-uitgaven tamelijk constant zijn gebleven. We zien slechts een lichte stijging, namelijk van 4,1% naar 4,9%. Dus, ondanks die enorme toename van het aantal AOW-ers gebeurt er vrijwel niks met de AOW-uitgaven. Hoe dat komt, weten we al. De reden is eenvoudigweg dat de AOW niet welvaartsvast is geweest de afgelopen 40 jaar. Dat zien we ook aan de rode cijfers in de tabel. Die cijfers laten zien wat er gebeurd was als de AOW-uitkering wel welvaartsvast was geweest, dus mee was gestegen met de verdiende lonen. Dan nemen die uitgaven inderdaad dramatisch toe. We zouden dan nu al zo’n 12% van het nationaal inkomen aan de AOW moeten uitgeven. In feite is het nog niet eens 5%. Toch is het dramatische scenario nu juist wat het CPB ons de afgelopen 15 jaar steeds heeft voorgerekend. Komen we dus op terug. 
  

zaterdag 11 oktober 2014

Vergrijzing met de constante arrangementen van het CPB

Dit voorjaar kwam de laatste vergrijzingsstudie van het CPB uit in een lange rij van soortgelijke studies (achtereenvolgens uitgebracht in 1998, 2000, 2006, 2010 en 2014). Al die studies gingen over de vraag of het mogelijk zou zijn in de toekomst van dezelfde collectieve voorzieningen te genieten bij gelijkblijvende belastingtarieven. Dus, stel dat de diensten van de politie per inwoner, de subsidie en het aanbod van onderwijs per inwoner, de uitkeringshoogten, enz., allemaal op hetzelfde niveau blijven. De vraag is dan of in de toekomst de belastingen niet verhoogd hoeven te worden, terwijl we weten dat er dan meer ouderen zijn dan nu? Het CPB noemde de aanname van gelijkblijvende voorzieningen het geval van 'constante arrangementen’. Voor de sociale  zekerheid, met name de AOW, kwam deze aanname van constante arrangementen erop neer dat de uitkering in een vaste verhouding zou blijven staan tot de verdiende lonen. We zouden dit een welvaartsvaste AOW kunnen noemen. Een welvaartsvaste AOW is altijd een vast uitgangspunt in de politieke discussie geweest, maar werd niet altijd ondubbelzinnig gedefinieerd. De commissie financiering oudedagsvoorziening, de zogenaamde commissie Drees, publiceerde in 1987 het rapport ‘gespiegeld in de tijd’ waarin welvaartsvastheid werd gedefinieerd als de aanpassing van de bruto-uitkeringen aan de contractlonen. De zogenaamde incidentele loonstijging werd expliciet buiten de definitie gehouden. Op basis van deze definitie berekende Drees c.s. dat de stijging van de AOW-uitgaven beperkt zou zijn. Deze conclusie werd gedeeld door het toenmalige kabinet. Latere kabinetten hebben deze definitie van welvaartsvastheid van de AOW-uitkeringen (wel expliciet aanpassen aan de contractloonstijging, niet aan de incidentele loonstijging) nooit expliciet ter discussie gesteld. In de figuur wordt weergegeven hoe het bruto minimumloon, waar de bruto AOW aan gekoppeld is, zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de contractuele loonstijgingen in de afgelopen 40 jaar (gemaakt door Masterstudente Nadine Knoop, gebaseerd op CBS-data). In die figuur is de grijze lijn de procentuele verandering in het bruto-minimumloon, terwijl de zwarte lijn de procentuele verandering in de bruto AOW-uitkering voorstelt. In de jaren 70 was de ontwikkeling van de minimumuitkeringen gunstiger dan de ontwikkeling van de contractlonen. In de overige perioden was de contractloonstijging meestal hoger dan de stijging van de minimumuitkeringen. Alleen in het begin van deze eeuw was er een uitzondering toen de minimumuitkeringen kortstondig sneller stegen dan de contractlonen. Conclusie, zelfs volgens de beperkte definitie van de commissie Drees is de AOW zelden welvaartsvast geweest. Vanaf 1984 tot aan het einde van de jaren 1990 lag de stijging van de AOW voortdurend beneden de contractuele loonstijging. De laatste paar jaar volgt de AOW ongeveer het contractloon, maar zeker niet het verdiende loon (dat is inclusief incidentele loon). Toch gaat het CPB in al zijn vergrijzingssommen er van uit dat de AOW wel de verdiende lonen volgt (en komt dan tot de conclusie dat de bruto AOW-uitgaven fors gaan toenemen). Is dat niet bizar? Ga hier verder.