donderdag 16 oktober 2014

De ontwikkeling van de AOW-uitgaven (2010-2060): niet echt

Zoals we al vermeld hebben zou volgens het CPB bij een zogenaamd constant arrangement de AOW tot grote problemen voor de overheidsfinanciën leiden. Dat wil zeggen dat als de AOW-uitkering welvaartsvast zou zijn, ofte wel even hard zou stijgen als de gemiddeld verdiende lonen van werknemers, het beslag dat de AOW op het nationaal inkomen legt, heel snel zou toenemen. Hoe snel, dat zien we in de tabel. In deze tabel is aangenomen dat het nationaal inkomen 2% per jaar stijgt. Als de AOW welvaartsvast is, stijgt de AOW-uitkering (bij benadering) even hard als het nationaal inkomen. De gevolgen staan in de tweede en de derde rij (rode cijfers). We zien dat als percentage van het nationaal inkomen de AOW-uitgaven stijgen van bijna 5% in 2010 tot 8% in 2040. Ter vergelijking staan in de vierde rij de percentages die door het CPB (2010) worden gegeven.
Laten we nu aannemen dat de AOW-uitkering alleen de contractuele loonstijging volgt. Dit is in feite nog een optimistische aanname omdat, zoals we gezien hebben, de AOW in de jaren 80 en 90 zelfs niet eens de contractloonstijging volgde. Een belangrijke vraag is nu de volgende. Als de gemiddeld verdiende lonen met 2% per jaar stijgen, hoeveel van die stijging is het gevolg van cao-afspraken (dus: contractuele loonstijging) en hoeveel daarvan komt doordat de beroepsbevolking steeds beter opgeleid is, er promoties gemaakt worden, enz (dus: incidentele loonstijging). Het is moeilijk te voorspellen hoe dat de komende dertig jaar zal uitpakken. Mijn schatting is dat het ongeveer 50/50 zal zijn. Dus, per jaar stijgen de lonen met 1% door cao-afspraken en met 1% door incidentele stijgingen. Als we de gevolgen daarvan doorrekenen voor de AOW, krijgen we rij 5 en 6 in de tabel (groene cijfers). Zoals we zien, stijgen de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen maar in beperkte mate, namelijk van 4,9% in 2010 tot 6% in 2040. Daarna daalt dit percentage, omdat dan de ‘grijze druk’ alweer begint af te nemen. Uiteraard is dit resultaat afhankelijk van de veronderstelde stijging van de contractlonen. Als we aannemen dat de contractlonen met 1,5% (en het incidenteel dus met 0,5%) per jaar stijgen, dan is het resultaat voor de AOW-uitgaven minder gunstig. We zien dat in de oranje cijfers van de laatste rij (waar de verhouding contractloon/incidenteel loon op 75/25 is genomen).
Wat de werkelijke ontwikkeling zal zijn kunnen we nu nog niet weten. We hebben gezien dat de AOW-uitgaven in de afgelopen 40 jaar als percentage van het nationaal inkomen constant zijn gebleven. Dat zou in de komende 30 jaar ook kunnen gebeuren. Hoe dan ook, het constante arrangement voor de AOW zoals het CPB dat heeft doorgerekend weerspiegelt op geen enkele manier de feitelijke ontwikkeling in het verleden. Mijn eigen inschatting is dat de groene cijfers in de tabel meer de werkelijke ontwikkeling zal worden dan de oranje of rode cijfers. Kunnen we dan zeggen dat de verhoging van de AOW-leeftijd achteraf niet nodig is geweest? Zeker, zoals we een volgende keer laten zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen