zaterdag 11 oktober 2014

Vergrijzing met de constante arrangementen van het CPB

Dit voorjaar kwam de laatste vergrijzingsstudie van het CPB uit in een lange rij van soortgelijke studies (achtereenvolgens uitgebracht in 1998, 2000, 2006, 2010 en 2014). Al die studies gingen over de vraag of het mogelijk zou zijn in de toekomst van dezelfde collectieve voorzieningen te genieten bij gelijkblijvende belastingtarieven. Dus, stel dat de diensten van de politie per inwoner, de subsidie en het aanbod van onderwijs per inwoner, de uitkeringshoogten, enz., allemaal op hetzelfde niveau blijven. De vraag is dan of in de toekomst de belastingen niet verhoogd hoeven te worden, terwijl we weten dat er dan meer ouderen zijn dan nu? Het CPB noemde de aanname van gelijkblijvende voorzieningen het geval van 'constante arrangementen’. Voor de sociale  zekerheid, met name de AOW, kwam deze aanname van constante arrangementen erop neer dat de uitkering in een vaste verhouding zou blijven staan tot de verdiende lonen. We zouden dit een welvaartsvaste AOW kunnen noemen. Een welvaartsvaste AOW is altijd een vast uitgangspunt in de politieke discussie geweest, maar werd niet altijd ondubbelzinnig gedefinieerd. De commissie financiering oudedagsvoorziening, de zogenaamde commissie Drees, publiceerde in 1987 het rapport ‘gespiegeld in de tijd’ waarin welvaartsvastheid werd gedefinieerd als de aanpassing van de bruto-uitkeringen aan de contractlonen. De zogenaamde incidentele loonstijging werd expliciet buiten de definitie gehouden. Op basis van deze definitie berekende Drees c.s. dat de stijging van de AOW-uitgaven beperkt zou zijn. Deze conclusie werd gedeeld door het toenmalige kabinet. Latere kabinetten hebben deze definitie van welvaartsvastheid van de AOW-uitkeringen (wel expliciet aanpassen aan de contractloonstijging, niet aan de incidentele loonstijging) nooit expliciet ter discussie gesteld. In de figuur wordt weergegeven hoe het bruto minimumloon, waar de bruto AOW aan gekoppeld is, zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de contractuele loonstijgingen in de afgelopen 40 jaar (gemaakt door Masterstudente Nadine Knoop, gebaseerd op CBS-data). In die figuur is de grijze lijn de procentuele verandering in het bruto-minimumloon, terwijl de zwarte lijn de procentuele verandering in de bruto AOW-uitkering voorstelt. In de jaren 70 was de ontwikkeling van de minimumuitkeringen gunstiger dan de ontwikkeling van de contractlonen. In de overige perioden was de contractloonstijging meestal hoger dan de stijging van de minimumuitkeringen. Alleen in het begin van deze eeuw was er een uitzondering toen de minimumuitkeringen kortstondig sneller stegen dan de contractlonen. Conclusie, zelfs volgens de beperkte definitie van de commissie Drees is de AOW zelden welvaartsvast geweest. Vanaf 1984 tot aan het einde van de jaren 1990 lag de stijging van de AOW voortdurend beneden de contractuele loonstijging. De laatste paar jaar volgt de AOW ongeveer het contractloon, maar zeker niet het verdiende loon (dat is inclusief incidentele loon). Toch gaat het CPB in al zijn vergrijzingssommen er van uit dat de AOW wel de verdiende lonen volgt (en komt dan tot de conclusie dat de bruto AOW-uitgaven fors gaan toenemen). Is dat niet bizar? Ga hier verder.   

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen