donderdag 17 september 2015

Pluriforme economie, I

Vlak voor de zomer hebben economiestudenten uit Maastricht ervoor gepleit meer pluriformiteit tot de academische economie-opleidingen toe te laten. Het curriculum wordt al decennialang gedomineerd door de neoklassieke economie; andere scholen worden verwaarloosd. We citeren de studenten: “Kort samengevat is de neoklassieke school de stroming die de economie beschouwt als een groot spinneweb van transacties, die gedreven worden door de voorkeuren van alwetende, perfect rationele individuen.” Geen wonder, zo is de suggestie, dat economen de kredietcrisis niet zagen aankomen, met zo’n wereldvreemde kijk op de economie. Het nieuwe studiejaar is alweer begonnen en, in ieder geval in Tilburg, heeft de neoklassieke economie nog steeds een monopolie in het economie-onderwijs. Hoewel, lees het standaard macro-leerboek van Gregory Mankiw en je komt in bijna de helft van het boek de klassieken tegen. Maar er is zeker heel veel neo-klassiek in het onderwijsprogramma. Heb je wat aan de neo-klassieke theorie? Minder dan sommigen denken. Je kunt er niet mee voorspellen, zoals John Maynard Keynes 75 jaar geleden al onze eigen Jan Tinbergen (vader van het CPB) probeerde duidelijk te maken (tevergeefs). Het economische beleid heeft ook weinig aan de economische wetenschap en eigenlijk om dezelfde reden: je hebt niks aan de voorspellingen. Toch moeten we de prominente positie van de neoklassieke economie in het academisch economisch onderwijs handhaven. Een neoklassieke ‘theorie’ is niets meer dan een logische redenering, gebaseerd op een aantal uitgangspunten, die tot een bepaalde conclusie leidt. Dat wil niet zeggen dat op basis van deze theorie een eendimensionale beschrijving van de werkelijkheid volgt. Met de neoklassieke economie kun je alle kanten op, zoals we zullen zien.. 

maandag 30 maart 2015

Een gemeenschappelijke munt met een ‘partijdige’ Centrale Bank

C. Heeres vraagt zich af waarom een federaal Europa gewenst is. We hebben toch Angela Merkel: als Nederland zich ondergeschikt maakt aan Duitsland (zoals in wereldoorlog II?), dan is Nederland beter af dan als het zich ondergeschikt maakt aan een federaal Europa. Het is een interessante stelling, maar in het algemeen niet waar. De economen Cooper, Kempf en Peled geven een voorbeeld hoe fout het kan gaan als een dominant land het voor het zeggen krijgt. Cooper et al. beschrijven het geval van Argentinië dat, om, eind jaren 90, los te komen van de torenhoge inflatie in het land, in feite overgaat op de dollar. Het monetaire beleid van de VS leidt immers tot veel lagere inflatie dan het beleid in Argentinië. Door over te gaan op de dollar zou Argentinië de lagere inflatie van de VS kunnen importeren. Het is een typisch Heeres-geval. Argentinië is niet aangesloten bij de federale staat die de VS is, maar maakt zich wel ondergeschikt aan het beleid van die federatie: dat kan niets anders dan taxation without representation worden, waar de Amerikanen zelf bijna 250 jaar geleden zo’n hekel aan hadden. Inderdaad, dit is wat Cooper et al. aantonen, alleen wordt het een inflatiebelasting. De FED (Centrale Bank van de VS) had, zonder Argentinië, reden om de inflatie beperkt te houden: alle baten en kosten van inflatie slaan immers op de Amerikanen zelf neer. Als de Argentijnen echter ook onderdeel worden van de muntunie, veranderen de overwegingen van de FED. Als de FED schuldpapier van de Amerikaanse overheden opkoopt, heeft dat minder negatieve gevolgen voor de Amerikaanse burgers omdat het effect op de inflatie zich verspreidt over de VS èn Argentinië. Omdat Argentinië zich bij het muntgebied van de dollar heeft aangesloten en de FED zich niet druk maakt om de Argentijnse burgers, zal de hoeveelheid geldschepping groter kunnen zijn dan voorheen. Argentinië krijgt de rekening in de vorm van inflatie waar de Argentijnse autoriteiten juist vanaf wilden. Het lijkt nogal voor de hand te liggen, maar als een land zich ondergeschikt maakt aan een beleid waar het geen invloed op heeft, krijgt het ongewenst beleid terug. In een federatie heeft ieder land invloed (hoe klein ook) op de centrale besluitvorming. Zo er ongewenst beleid is op federaal niveau, zal het effect daarvan altijd minder negatief zijn dan bij volledige onderschikking aan het beleid van andere landen.

zondag 18 januari 2015

De (inkomens)verdeling volgens de Lorenzcurve

Een belangrijk instrument waar veel ongelijkheidsmaatstaven uit af te leiden zijn is de Lorenz-curve, ontwikkeld door de Amerikaanse statisticus Max Lorenz in 1905. Hij zette voor een groep of land de inkomens op een rijtje te beginnen met het laagste inkomen en te eindigen met het hoogste inkomen. Bij ieder willekeurig inkomen bepaalde hij hoeveel mensen dat inkomen of een lager inkomen hadden, rekende het totale inkomen van deze groep uit en deelde dat vervolgens door het totale inkomen van die groep of dat land. Dus, neem als eenvoudig voorbeeld dat een economie bestaat uit 10 gezinnen die respectievelijk (van laag naar hoog) de volgende inkomens hebben: 2, 3, 4, 5, 6, 10, 12, 13, 15, 30. Het laagste inkomen is dus 2 en het hoogste inkomen is 30, het totale inkomen is 2+3+4+5+6+10+12+13+15+30 = 100. De eerste twee gezinnen hebben in totaal een inkomen van 5 (2+3). Zij vormen 20% van de bevolking (2 van de 10 gezinnen) en hebben een aandeel van 5% in het totale inkomen (5 van 100). Bij volkomen gelijkheid zou 20% van de bevolking natuurlijk ook 20% van het totale inkomen moeten hebben, maar het is met 5% dus heel wat minder (zie plaatje). Laten we dan uitrekenen wat het aandeel in het totale inkomen is van de armste helft van de bevolking. Het inkomen van de 5 armste gezinnen bedraagt 2+3+4+5+6 = 20. Hun aandeel in het totale inkomen van de economie is dus 20% (namelijk 20 van 100). Bij een volkomen gelijke verdeling zou dat 50% zijn (zie plaatje). In werkelijkheid zijn er natuurlijk veel meer inkomens dan de 10 die we hier verondersteld hebben. Op ieder punt op de horizontale lijn bevindt zich wel minstens iemand met een bepaald inkomen Y en kunnen we dus het aandeel in het totale inkomen bepalen van alle mensen met een inkomen dat lager is dan Y. Dat leidt dan tot de rode curve in het plaatje. Dat is de Lorenz curve. In het plaatje zien we dus dat als we een volkomen gelijke verdeling zouden hebben, we zouden verwachten dat alle inkomensaandelen op de blauwe lijn liggen. De diagonale blauwe lijn in het boven gegeven voorbeeld betekent een volledig gelijke inkomensverdeling. In werkelijkheid loopt de (rode) curve echter lager, wat betekent dat op ieder gegeven punt op de Lorenz curve het percentage van het totale nationale inkomen lager is dan het percentage mensen dat een inkomen tot dat niveau heeft. Bovendien kunnen we eenvoudig inzien dat hoe lager de rode curve ligt, des te ongelijker de inkomens verdeeld zijn. Het ligt dan voor de hand dat we de oppervlakte tussen de blauwe lijn en de rode lijn als een maat voor ongelijkheid nemen. Als de blauwe curve en de rode Lorenz curve samenvallen (gelijke inkomensverdeling), dan is de oppervlakte nul. Hoe lager de rode curve ligt, des te groter het oppervlak tussen de rode curve en de blauwe lijn en des te ongelijker de inkomensverdeling. Dit is de basis voor de Gini-index als ongelijkheidsmaatstaf. Die is namelijk gelijk aan de verhouding tussen het oppervlak tussen de diagonaal en de Lorenz-curve, en het totale oppervlak onder de diagonaal. Die waarde ligt steeds tussen 0 en 1, waarbij 0 staat voor een perfect gelijke verdeling, en 1 voor een perfect ongelijke verdeling. Prachtig! Maar waarom is Piketty dan toch niet zo blij met de Gini-index? 

dinsdag 13 januari 2015

Kunnen economen ongelijkheid meten?

De conclusie uit het voorgaande is dat we een ‘sociaal geluksgetal’ aan de (inkomens)verdeling in de economie kunnen toekennen als we op een of andere manier in staat zijn het geluk (of de ‘tevredenheid’ of, zoals het economisch jargon luidt, het ‘nut’) van mensen met elkaar te vergelijken. Dat kan, zeggen sommige (theoretische) economen hoopvol, als de manier waarop mensen beslissingen nemen aan bepaalde (wiskundige) voorwaarden voldoen. Helaas, wishful thinking, want we weten nauwelijks hoe mensen een besluit nemen. Maar, economen zijn (al meer dan een eeuw) bezig met het meten van ongelijkheid (recent Piketty en natuurlijk onze eigen WRR). Inkomensongelijkheid valt dus te meten, zo lijkt het, zoals je ook de temperatuur kunt meten. Net zoals meningen verschillen over wanneer het nu koud of warm is, zo kunnen ook meningen verschillen of iets nu ongelijk is, of niet. Dus, bijvoorbeeld, een populaire manier om ongelijkheid te meten in de economie is door de zogeheten Gini-index (we komen daar nog uitgebreid op terug). Die is minimaal gelijk aan nul (gelijker kan niet) en maximaal gelijk aan één (ongelijker kan niet). De gemeten waarde zit daar ergens tussen, in Europa tussen 0,2 en 0,5. Dat kun je veel vinden, of weinig, maar je hebt in ieder geval een objectief getal waar je verder mee kunt. Objectief? Lees eens wat Piketty zegt over de Gini-index in zijn ‘Capital’: “Deze index suggereert dat je met een enkel getal de ongelijkheid in een verdeling kunt beschrijven: zowel de ongelijkheid tussen lage inkomens en middeninkomens, als de ongelijkheid tussen middeninkomens en hoge inkomens, als de ongelijkheid tussen hoge inkomens en de echte topinkomens.” Maar, zo bedoelt Piketty, dat kan natuurlijk niet. De Gini-index is dus kennelijk niet objectief. Inderdaad, we dreigen ook bij de meting van de inkomensongelijkheid in de val van (onmogelijke) ‘geluksvergelijking’ te vallen, zoals we later zullen zien.