dinsdag 13 januari 2015

Kunnen economen ongelijkheid meten?

De conclusie uit het voorgaande is dat we een ‘sociaal geluksgetal’ aan de (inkomens)verdeling in de economie kunnen toekennen als we op een of andere manier in staat zijn het geluk (of de ‘tevredenheid’ of, zoals het economisch jargon luidt, het ‘nut’) van mensen met elkaar te vergelijken. Dat kan, zeggen sommige (theoretische) economen hoopvol, als de manier waarop mensen beslissingen nemen aan bepaalde (wiskundige) voorwaarden voldoen. Helaas, wishful thinking, want we weten nauwelijks hoe mensen een besluit nemen. Maar, economen zijn (al meer dan een eeuw) bezig met het meten van ongelijkheid (recent Piketty en natuurlijk onze eigen WRR). Inkomensongelijkheid valt dus te meten, zo lijkt het, zoals je ook de temperatuur kunt meten. Net zoals meningen verschillen over wanneer het nu koud of warm is, zo kunnen ook meningen verschillen of iets nu ongelijk is, of niet. Dus, bijvoorbeeld, een populaire manier om ongelijkheid te meten in de economie is door de zogeheten Gini-index (we komen daar nog uitgebreid op terug). Die is minimaal gelijk aan nul (gelijker kan niet) en maximaal gelijk aan één (ongelijker kan niet). De gemeten waarde zit daar ergens tussen, in Europa tussen 0,2 en 0,5. Dat kun je veel vinden, of weinig, maar je hebt in ieder geval een objectief getal waar je verder mee kunt. Objectief? Lees eens wat Piketty zegt over de Gini-index in zijn ‘Capital’: “Deze index suggereert dat je met een enkel getal de ongelijkheid in een verdeling kunt beschrijven: zowel de ongelijkheid tussen lage inkomens en middeninkomens, als de ongelijkheid tussen middeninkomens en hoge inkomens, als de ongelijkheid tussen hoge inkomens en de echte topinkomens.” Maar, zo bedoelt Piketty, dat kan natuurlijk niet. De Gini-index is dus kennelijk niet objectief. Inderdaad, we dreigen ook bij de meting van de inkomensongelijkheid in de val van (onmogelijke) ‘geluksvergelijking’ te vallen, zoals we later zullen zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen