donderdag 27 oktober 2016

Overconsumptie in zorgverzekeringen, II

Als een patiënt verzekerd is tegen de kosten van medische behandelingen, gaat hij/zij meer consumeren dan als de kosten zelf betaald moeten worden, zo zagen we. In het plaatje wordt er als de consument verzekerd is C geconsumeerd en zonder de verzekering de kleinere hoeveelheid qm. We vroegen ons af waarom we eigenlijk 0pmDC van het bruto welzijn OAC aftrekken, terwijl de consument die kosten niet betaalt. De reden is dat 0pmDC ‘echte’ kosten zijn. Iemand moet die betalen: als het niet de patiënt zelf is, dan zijn het anderen die de rekening betalen. In een verzekeringsmarkt is het uiteindelijk de consument zelf die betaalt, want de hogere consumptie wordt door de verzekeraar verrekend in een hogere zorgpremie. We zagen ook dat het netto welzijn pmAB – BDC lager is dan het netto welzijn als er geen verzekering is, namelijk pmAB. Dat is het gevolg van de hogere consumptie. Ook als er een verzekering is, zou het goed zijn als er qm medische behandelingen worden ‘geconsumeerd’, omdat bij dat aantal behandelingen het ‘maatschappelijke’ netto welzijn zo hoog mogelijk is. Het feitelijke aantal behandelingen is echter C. Is dan de onvermijdelijke conclusie dat verzekeringen per saldo tot verspilling leiden omdat er te veel geconsumeerd wordt? Dat ook weer niet omdat verzekeringen (per definitie) onzekerheid wegnemen en dat leidt op zich weer tot welvaartswinst. Als je deze welvaartswinst wilt behouden, maar de overconsumptie wilt beperken, moet je binnen de verzekering de consumptie beperken. Verzekeraars hebben daar instrumenten voor, namelijk eigen bijdragen, eigen risico’s of no-claim kortingen. In de Nederlandse zorgverzekeringen bestaat er een verplicht eigen risico van 385 euro, maar veel politieke partijen willen daar van af. Helpt het dan niet om de daarmee overconsumptie te beperken? Inderdaad, het eigen risico wordt in Nederland voornamelijk in het verkeerde deel van de zorg ingezet. (wordt vervolgd)

woensdag 26 oktober 2016

Overconsumptie in zorgverzekeringen, I

Economen gebruiken graag een plaatje om een ver-schijnsel als ‘overconsumptie’ uit te leggen. Kijk dus eens naar het plaatje hiernaast. De rode lijn Dm stelt de vraag van een consument naar een goed M voor. Op de verticale as staat de prijs van het goed en op de horizontale as staat de hoeveelheid die de consument van goed M koopt bij verschillende prijzen: hoe lager de prijs, hoe meer de consument van het goed wil kopen. Dus, als de prijs pm is, zal de consument qm kopen. Interessant is dat de oppervlakte onder de vraagcurve Dm het welzijn voor het individu weergeeft die ontstaat door de consumptie van het goed. Dus, als er qm wordt geconsumeerd is het welzijn als gevolg van die consumptie 0ABqm. Dat is het bruto welzijn, want er moet ook nog betaald worden voor het goed, namelijk OpmBqm, zodat het netto welzijn bij een consumptie van qvan gelijk is aan de driehoek pmAB. Stel nu dat de consument een patiënt is en M het aantal medische behandelingen voorstelt. De patiënt kiest zelf het aantal behandelingen en zijn wensen daarover hangen af van de prijs die behandelingen kosten. Maar neem nu aan dat er een verzekering bestaat die de kosten van de behandelingen volledig vergoedt. De prijs voor medische behandelingen is dan nul (0) als de patiënt de verzekering heeft genomen, want de verzekeringspremie staat los van de feitelijke consumptie. Bij een prijs van 0 wil de consument C behandelingen in plaats van qm. De consumptie neemt dus toe. Voor het netto welzijn is dat slecht want die is nu gelijk aan OAC – 0pmDC= pmAB – BDC. Het netto welzijn is dus lager dan zonder verzekering (pmAB), zo lijkt het. Maar waarom trekken we eigenlijk 0pmDC van het bruto welzijn OAC af, terwijl de consument die niet betaalt?  (wordt vervolgd)

dinsdag 25 oktober 2016

Welk probleem lost een nationaal zorgfonds op: risicoselectie of overconsumptie?

Wij weten dat er bij (zorg)verzekeringen die door de markt worden aangeboden (minstens) twee problemen zijn, die (misschien) door het ingrijpen van de overheid verholpen kunnen worden. Het eerste probleem is dat er bij zorgverzekeringen sprake kan zijn van ‘overconsumptie’ en het tweede probleem is dat het in een volledig vrije markt moeilijk (zo niet onmogelijk) is om voor iedereen een toegang tot kwalitatief goede zorg te garanderen. Zorgverzekeraars op de markt zullen de ‘slechte risico’ zo veel mogelijk proberen te weren als klant omdat deze een grote kans op hoge ziektekosten hebben. De overheid kan deze risicoselectie grotendeels voorkomen door de speelruimte van zorgverzekeraars flink te beperken. In Nederland gebeurt dat, zoals we zagen, door het opleggen van een acceptatieplicht. Daarnaast moeten verzekeraars aan alle klanten dezelfde premie aanbieden. Tenslotte krijgen de verzekeraars die veel slechte risico’s als klant hebben een subsidie van de overheid om de verliezen op deze klanten te compenseren. Het resultaat van dit alles is dat er gedwongen solidariteit ontstaat, waarbij de ‘goede risico’s’ meebetalen aan de ziektekosten van de slechte risico’s, ook al vindt Anna Dijkman dat niet zo leuk. Dan nu dat andere probleem: de ‘overconsumptie’. Overconsumptie wil zeggen dat een patiënt meer behandelingen krijgt of vraagt dan noodzakelijk is. Dat een patiënt om te veel behandeling kan vragen, weten wij als (potentiële of echte) patiënten zelf heel goed. Als het om onze eigen gezondheid gaat, worden we liever te veel dan te weinig behandeld. Werken artsen dan mee aan ‘overbehandeling’? Jazeker! Het is al vaak aangetoond dat artsen gevoelig zijn voor financiële prikkels. De overheid zou het effect van financiële prikkels zo klein mogelijk kunnen maken, bijvoorbeeld door artsen een vast salaris te geven (al geeft dat weer andere problemen). Daar komen we op terug, maar later we eerst eens zien waar de overconsumptie precies vandaan komt. (wordt vervolgd)

dinsdag 18 oktober 2016

Welk probleem lost een nationaal zorgfonds op: risicoselectie? II

Wij noemen de situatie waarbij de zorgverzekeraars in staat zijn de ‘slechte risico’s’ te weren en de ‘goede risico’s’ als klanten accepteren, risicoselectie. We zagen dat in de VS zorgverzekeraars voor de invoering van Obamacare de ‘slechte risico’s’ als klanten weigerden. Slechte risico’s waren mensen die een laag betaalde baan hadden bij een kleine werkgever die geen collectieve ziektekostenverzekering aan zijn werknemers kon bieden. Verzekeraars hielden de premies voor deze mensen hoog, of weigerden ze eenvoudigweg. Obamacare heeft dat laatste inmiddels onmogelijk gemaakt. Verzekeraars hebben een acceptatieplicht. In Nederland is dat al sinds de hervorming van de ziektekostenverzekering in 2006 het geval. Het Nederlandse stelsel gaat verder dan het hervormde stelsel in de VS. In Nederland moeten verzekeraars aan al hun klanten dezelfde zorgpremie in rekening brengen voor hetzelfde zorgpakket. Dat voorkomt discriminatie van de mensen die een hoge kans op ziekte hebben. Dat is overigens geen voldoende middel tegen risicoselectie, want als zorgverzekeraars bij voorbaat weten dat ze verlies zullen leiden op sommige klanten, kunnen ze nog altijd proberen deze slechte risico’s op een indirecte wijze te weren, bijvoorbeeld door hun advertenties te richten op de goede risico’s (vooral jonge mensen met een hoge opleiding en een goede baan). Dit gebeurt ook in Nederland, maar om zorgverzekeraars zo min mogelijk aanleiding te geven dit te doen, vindt er ook nog risicoverevening (zie plaatje en hier een uitleg) plaats. Zorgverzekeraars met veel slechte risico’s krijgen een vergoeding die ze voor dat ‘verlies’ compenseren. Die risicoverevening wordt gefinancierd uit een fonds dat wordt gevuld met een deel van de inkomensafhankelijke premies (te betalen door werkgevers of zelfstandigen). Deze drie voorzieningen (acceptatieplicht, gelijke premies voor iedereen, en risicoverevening) wil niet zeggen dat er geen risico-selectie bestaat in Nederland, maar erg omvangrijk kan het niet zijn. (wordt vervolgd)

maandag 17 oktober 2016

Welk probleem lost een nationaal zorgfonds op: risicoselectie? I

Zoals we hebben kunnen lezen in hun concept verkiezingsprogramma wil de SP een nationaal zorgfonds, dat in de plaats moet komen van het huidige stelsel van concurrerende zorgverzekeraars. Welk probleem of welke problemen lost zo'n zorgfonds op? Uit het verkiezingsprogramma is dat niet af te leiden. Daarom gaan wij eerst eens na welke problemen zorgverzekeringen gewoonlijk met zich meebrengen. Er zijn er (minstens) twee, namelijk, ten eerste, dat het bij zorgverzekeringen moeilijk is ‘overconsumptie’ te voorkomen en, ten tweede, dat er bij zorgverzekeringen grote ongelijkheden in de toegang tot kwalitatief goede zorg kunnen ontstaan. Dat laatste was vooral duidelijk in de VS, waar voordat het nieuwe zorgverzekeringsstelsel werd ingevoerd (gewoonlijk aangeduid als Obama-care en met veel elementen van het Nederlandse stelsel!), zo’n 20 procent van de bevolking onverzekerd was. Er waren twee soorten onverzekerden in de VS, namelijk de rijken die, als ze eenmaal ziek zouden zijn, behandelingen eenvoudig uit de eigen zak zouden kunnen betalen en werkenden, die net niet arm genoeg waren om toegang te krijgen tot de ‘armenziekenzorg’ (Medicaid), maar toch te arm waren om de torenhoge zorgpremies te kunnen betalen. Die premies waren voor hen torenhoog, omdat het bekend was dat ze ‘slechte risico’s’ waren: vaak ziek, in dienst bij een werkgever die geen collectieve verzekering had afgesloten voor hun werknemers, vaak werkloos, enzovoorts. Particuliere zorgverzekeraars hadden er geen moeite mee om na te gaan dat deze groep mensen verliesposten zouden zijn voor hun verzekering en dus weigerden ze hen toegang (zie plaatje) of vroegen ze hen hoge premies, die onbetaalbaar waren, zodat deze mensen geen verzekering namen (of dus niet kregen). Mochten ze ziek worden, dan konden ze niet naar de dokter en mocht de ziekte levensbedreigend worden, dan stond hun de slechtst denkbare zorg te wachten. (wordt vervolgd)