woensdag 26 oktober 2016

Overconsumptie in zorgverzekeringen, I

Economen gebruiken graag een plaatje om een ver-schijnsel als ‘overconsumptie’ uit te leggen. Kijk dus eens naar het plaatje hiernaast. De rode lijn Dm stelt de vraag van een consument naar een goed M voor. Op de verticale as staat de prijs van het goed en op de horizontale as staat de hoeveelheid die de consument van goed M koopt bij verschillende prijzen: hoe lager de prijs, hoe meer de consument van het goed wil kopen. Dus, als de prijs pm is, zal de consument qm kopen. Interessant is dat de oppervlakte onder de vraagcurve Dm het welzijn voor het individu weergeeft die ontstaat door de consumptie van het goed. Dus, als er qm wordt geconsumeerd is het welzijn als gevolg van die consumptie 0ABqm. Dat is het bruto welzijn, want er moet ook nog betaald worden voor het goed, namelijk OpmBqm, zodat het netto welzijn bij een consumptie van qvan gelijk is aan de driehoek pmAB. Stel nu dat de consument een patiënt is en M het aantal medische behandelingen voorstelt. De patiënt kiest zelf het aantal behandelingen en zijn wensen daarover hangen af van de prijs die behandelingen kosten. Maar neem nu aan dat er een verzekering bestaat die de kosten van de behandelingen volledig vergoedt. De prijs voor medische behandelingen is dan nul (0) als de patiënt de verzekering heeft genomen, want de verzekeringspremie staat los van de feitelijke consumptie. Bij een prijs van 0 wil de consument C behandelingen in plaats van qm. De consumptie neemt dus toe. Voor het netto welzijn is dat slecht want die is nu gelijk aan OAC – 0pmDC= pmAB – BDC. Het netto welzijn is dus lager dan zonder verzekering (pmAB), zo lijkt het. Maar waarom trekken we eigenlijk 0pmDC van het bruto welzijn OAC af, terwijl de consument die niet betaalt?  (wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen