zondag 20 november 2016

Waarom het eigen risico in NL de medische overconsumptie niet beperkt II

We zagen dat het eigen risico van medische behandelingen tegen een bepaalde ziekte hoog moet zijn, in feite hoger dan de behandelingskosten bij de maatschappelijk optimale hoeveelheid behandelingen. Een eigen risico dat effectief is kan dan tot maatschappelijk onaanvaardbaar hoge kosten voor patiënten leiden. Kijk weer naar het plaatje. We hebben nu twee eigen risico’s ingetekend, namelijk een laag eigen risico bij R1 behandelingen en een hoog eigen risico bij R2 behandelingen. Het eerste eigen risico is even hoog als het eigen risico in onze eerdere voorbeelden. Het is niet effectief en leidt dus tot een te hoog aantal behandelingen C. Het tweede eigen risico is wel effectief, dat wil zeggen bij dit eigen risico zal de patiënt voor de maatschappelijke optimale hoeveelheid behandelingen qm kiezen. We gaan dat weer even uitrekenen. Als de patiënt qm behandelingen kiest, is het netto welzijn pmAB. Als de patiënt C behandelingen kiest, is zijn netto welzijn echter gelijk aan pmAB – BGH + R2HC. Met ons economische timmermansoog zien we dat het driehoekje R2HC kleiner is dan het driehoekje BGH. Het netto welzijn voor de patiënt is dus hoger bij qm dan bij C behandelingen. Hij zal dus qm medische behandelingen kiezen. Het optimale aantal! Goed nieuws? Nee dus. Laten we eens het voorbeeld van specialistische hulp nemen (en die valt ook onder het eigen risico). Neem aan dat bij C behandelingen de kosten 50.000€ per jaar bedragen en dat is geen onrealistisch hoog bedrag. Een effectief eigen risico zou dan (in ons plaatje) een kleine 40.000€ kunnen bedragen. Oftewel, bij dure specialistische hulp is een effectief eigen risico voor sommige patiënten gelijk aan een jaarsalaris. Het is niet voorstelbaar dat iemand een dergelijk hoog eigen risico ooit redelijk zal vinden. (wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen